Zoeken in deze blog

zaterdag 5 december 2020

Goede papieren

Ik heb onlangs voor het eerst The Pickwick Papers van Charles Dickens gelezen en heb me erg vermaakt met de vrolijke verteldrift en de vele ‘wellerismen’ (of ‘zei-spreuken’) — misschien niet door Dickens uitgevonden, maar dan toch voor het eerst op zo grote schaal in een literaire tekst toegepast, en dus terecht naar zijn personage vernoemd. 

Ik vraag me af of deze roman ook het begin was van een andere taalkundige trend. Het is een beetje onbenullige vraag, maar toch wil ik het nu weten: is dit ook de eerste roman met een titel van deze vorm, ‘The XXX Papers’? 

Dat is nu immers een geijkte constructie die we vooral kennen van boektitels, met als beroemdste voorbeeld waarschijnlijk Henry James’ The Aspern Papers. (Het ligt toch niet alleen aan mij dat ik daar als eerste aan denk?) 


Maar als ik er even over nadenk, blijk ik niet eens zoveel andere boeken met zo’n titel te kennen. Ik kan er eigenlijk maar één bedenken: The Rachel Papers, de eerste roman van Martin Amis. En ja, uit een ver verleden duikt er nog eentje op: The Valachi Papers, een non-fictie boek waarin een spijtoptant uit de school klapt over de Amerikaanse maffia. Een soort Peter R. De Vries-boek uit de jaren 60. Toen heel succesvol, en het klinkt misschien heel spannend, maar het is doodsaai (ik heb het in mijn tienerjaren ooit doorgeworsteld) en inmiddels vergeten. Behalve misschien door liefhebbers van bloederige Charles Bronson-films.


Wel kan ik nog één andere titel bedenken die een doelbewuste variatie op dit patroon is, want de titel van Saul Bellows ‘The Gonzaga Manuscripts’ moet, gezien de inhoud van het verhaal, beslist bedoeld zijn als een verwijzing naar The Aspern Papers.

Of dat laatste voor het romandebuut van Martin Amis ook geldt, weet ik niet zeker, want dat heb ik nog niet gelezen. Maar de inhoudsbeschrijving op Wikipedia doet me denken van niet.


En al snel heb ik, geheel in lijn met de wet van de exponentiële vermeerdering van je problemen als gevolg van de beschikbaarheid van internet, twee problemen met ‘The XXX Papers’, of althans vragen:

Is The Pickwick Papers nou het eerste boek met een titel van deze vorm? Heeft Dickens daarmee een trend gezet? En hoeveel romans, novellen en verhalen hebben een titel in deze vorm? Is er ook een Nederlands voorbeeld van? (Maar dat zal wel niet, want... Zie verderop.)

En ten tweede: hoe kun je daarop in godsnaam zoeken met Google? Het is soms verdomd lastig zoeken als je zoekt naar iets dat vooral uit heel alledaagse woorden bestaat. Zoeken op ‘The * Papers’ tussen aanhalingstekens, eventueel in combinatie met ‘novel’, levert mij in ieder geval niet snel veel relevante treffers op. 

Dat komt natuurlijk ook doordat ‘the xxx papers’ in het Engels een heel gewone manier is om naar alle nagelaten documenten (of geschriften of brieven) van een persoon of instantie te verwijzen. Bijvoorbeeld: ‘The Saul Bellow Papers at the University of Chicago represent the largest collection of Bellow’s personal papers in the world.’

En ho, bij nader inzien blijk ik eigenlijk drie vragen te hebben, of problemen. Want: hoe vertaal je het? 

Het lijkt zo simpel, maar het is in zijn beknoptheid eigenlijk een knap onvertaalbare frase; het lijkt me in ieder geval godsonmogelijk om het altijd op dezelfde manier te vertalen. Kijk alleen al naar die drie romantitels die ik dan toevallig ken: The Pickwick Papers is door Bomans vertaald als De nagelaten papieren der Pickwick Club

Dat heeft hij niet helemaal uit zijn duim gezogen, want in de oorspronkelijke publicatie luidde de titel ook nog The Posthumous Papers of the Pickwick Club (binnen de roman en bij sommige illustraties al afgekort tot ‘The Pickwick Papers’, dus beide titels hebben geldigheid).


The Aspern Papers van Henry James, tot nu toe tweemaal in het Nederlands vertaald, heette eerst Een dichterlijke nalatenschap (R. van Brakell Buys) en daarna Brieven van een dode dichter (Buddingh’). Op zich correcte titels, al vind ik het wel jammer dat in beide gevallen de naam Aspern weggelaten is en meteen geëxpliciteerd wordt dat het om een dichter gaat. Een dode nog wel liefst: blijkbaar vonden beide vertalers dat de frase ‘The XXX Papers’ automatisch de betekenis ‘postuum’ in zich droeg; en dat valt te betwisten.

Bovendien lijkt de bedoeling van James’ titel mij dat die vragen oproept: wie of wat is Aspern, en wat is er zo belangrijk aan die ‘papers’? Dus in mijn vertaling (volgend jaar misschien) kies ik liever voor zoiets als De brieven van Aspern. Een beetje saai, maar dichter bij de oorspronkelijke bedoeling.

Toch kom ook ik er dan niet omheen om die ‘papieren’ nader te specificeren. Om de een of andere reden werkt het in het Nederlands volgens mij niet goed om het zonder meer over ‘de papieren’ te hebben. Bomans kon dat doen vanwege die specificatie van ‘de nagelaten papieren’. Dan kan het weer wel. (Ik kan niet goed beredeneren waarom.) Maar ‘de papieren van Aspern’ of (lelijk anglicistisch) ‘de Aspern papieren’? Dat gaat hem, zoals dat tegenwoordig heet, niet worden. In ieder geval niet voor mij.

Kijk ook maar hoe The Rachel Papers is vertaald: ter gelegenheid van het verschijnen van zijn nieuwe boek Uit de eerste hand (Inside Story, vertaling Paul van der Lecq en Arthur Wevers) is ook zijn debuut The Rachel Papers opnieuw uitgebracht. Dat heet (in de vertaling van Ronald Jonkers) Rachel. Een document. En dat is inclusief twee punten.

Ik begrijp van Wikipedia dat de ‘papers’ in dit geval slaan op het dagboek van de verteller, die over de aantrekkelijke Rachel schrijft en fantaseert. Er moest dus iets anders worden verzonnen, want het zijn niet, bijvoorbeeld, ‘de brieven van Rachel’. En nee, ook niet ‘De Rachel-papieren’.


Het geeft maar aan dat ‘The XXX Papers’ in het Engels een heel wendbare en suggestieve frase is (‘The Panama Papers’: dat klinkt toch al meteen als een spannende thriller?) waarvoor we in het Nederlands niet meteen een pasklare pakkende oplossing paraat hebben. Nou ja, ik althans niet.


En ik weet dus ook nog steeds niet of dit óók weer allemaal met Dickens is begonnen. Al denk ik zelf (maar dat zal wel aan mij liggen) dat Henry James eerder aan de bron staat van ‘The XXX Papers’ als suggestieve titel voor een spannende roman of onthulling. Want hoe uitgelaten, vermakelijk en opwindend The Pickwick Papers vaak ook is, spannend wordt het daar eigenlijk nooit.

woensdag 2 september 2020

Samenwerking

Elke maand een verhaal van James op dit blog? Ik denk dat het dit jaar niet meer elke maand gaat lukken, maar deze maand nog wel. Een heel kort verhaal ditmaal, ‘Samenwerking’ getiteld in mijn vertaling, met een voor James ongebruikelijk onderwerp: muziek.



Voor de titel van dit verhaal, ‘Collaboration’, heb ik geen volledig bevredigende vertaling kunnen bedenken. Het Engelse collaboration kan immers zowel gewoon op ‘samenwerking’ als op het veel negatiever geladen ‘collaboratie’ slaan. De neutrale betekenis is doorgaans primair, zoals ook hier. Maar dat die neutrale of zelfs lovenswaardige artistieke samenwerking van de Duitse componist en de Franse tekstdichter door de verloofde van die laatste, en zeker door zijn schoonmoeder in spe, als collaboratie en landverraad wordt ervaren, kan in het Engels dus wel, maar in het Nederlands helaas niet tot uitdrukking worden gebracht in de titel zonder de neutrale betekenis ervan te verliezen.

Binnen het oeuvre van James onderscheidt dit verhaal zich doordat er een hoofdrol in weggelegd is voor een musicus; James had weinig affiniteit met muziek en schreef er zelden over. Daarbij (of daardoor?) is het ook een van zijn allerkortste verhalen. Die beknoptheid lag James blijkbaar niet zo, want de opzet blijft wat schematisch—het is uiteindelijk meer een schets dan een verhaal. Dat de sympathie van James daarbij eerder uitgaat naar de artistieke romance van de twee kunstbroeders dan naar de verontwaardigde Franse verloofde en haar nog veel geduchtere moeder, lijdt weinig twijfel.

In al zijn eenvoud en beknoptheid is dit verhaal als aanklacht tegen bekrompen patriottisme helaas nog onverminderd relevant. Sommige strapatsen van bepaalde dwaallichten op het hedendaagse politieke toneel zouden je bijna anders doen denken, maar net als Heidenmauer denk ik dat oprechte liefde voor de letteren (van Malaparte tot Houellebecq) en voor de muziek van Chopin, Saint-Saëns en Schumann zich toch slecht verdraagt met de bekrompenheid van politiek nationalisme.

Download

‘Collaboration’ stond in 1892 in The English Illustrated Magazine en verscheen voor het eerst in boekvorm in The Private Life and other stories (1893). Die eerste boekuitgave, waarvan de Amerikaanse editie beschikbaar is op Wikisource, levert de brontekst voor deze vertaling.

De omslagillustratie is het schilderij Souvenir d’atelier (1878) van David Oyens (1842-1902).

Samenwerking is hier te downloaden als epubKindle-bestand (mobi) of Word-bestand. Ook te koop bij Kobo en Bol.com.

Ik heb me voorgenomen om dit jaar elke maand een verhaal van Henry James in vertaling online te zetten. Dit is het negende verhaal in die reeks. Alle verhalen zijn op dit blog bij elkaar te vinden onder het label James-project.

Klik hier voor een overzicht van alle mij bekende Nederlandse vertalingen van James’ werk, en hier voor een overzicht van mijn eigen online beschikbare vertalingen.

zondag 2 augustus 2020

De leugenaar

Elke maand een verhaal van Henry James op dit blog—maar niet elke keer een vertaling van mezelf. In deze vakantiemaand presenteer ik een contemporaine vertaling van ‘The Liar’. Deze anonieme vertaling stond in 1890 in drie afleveringen in het Nederlandse blad De huisvriend. De tekst is, verspreid over verschillende pagina’s, ook op DBNL te vinden. Ik bied het verhaal hier in één bestand als e-boek aan.


‘The Liar’ is een vrij bekend verhaal binnen de Engelse letterkunde, ik geloof dat ik het al kende voordat ik het ooit gelezen had. Het wordt namelijk uitgebreid besproken in het hoofdstuk over ‘de onbetrouwbare verteller’ van Wayne Booth’s klassieke Amerikaanse studie over verteltechnieken, The Rhetoric of Fiction.

Dat je soms vraagtekens kunt zetten bij de betrouwbaarheid van James’ vertellers, is genoegzaam bekend. Het beroemdste voorbeeld is natuurlijk de gouvernante die aan het woord is in The Turn of the Screw. Dat werd aanvankelijk vooral gelezen als het verhaal over twee kinderen die bezeten zijn door de kwade geest van hun vorige gouvernante en haar minnaar. Met de opkomst van close reading in de letterkunde en Freudiaanse symboolduiding in de bredere cultuur werden er sinds begin vorige eeuw allengs meer twijfels gezet bij het relaas van de gouvernante: was zij zelf geen hysterica, die haar onderdrukte seksuele verlangens of frustraties projecteerde op twee onschuldige kinderen en ze zo de dood in joeg?

Dat soort vragen rijzen wel vaker als James een verhaal in de eerste persoon schrijft. Een vergelijkbare dubbelzinnigheid zie ik bijvoorbeeld in het spookverhaal ‘Sir Edmund Orme’, dat ik hier eerder plaatste.

Ook ‘The Liar’ is volgens Booth zo’n verhaal dat zich leent voor een dubbele lezing. In eerste instantie lijkt het misschien alsof de schilder-verteller zowel in zijn verhaal als op doek gewoon het ontluisterende portret schildert van de aartsleugenaar die getrouwd is met de vrouw waarop hij zelf ooit verliefd was (en eigenlijk nog steeds is). Maar als je het verhaal nog eens leest, zeker met de uitleg van Booth in het hoofd, dan kun je er haast niet meer onderuit: misschien is dit eerder een zelfportret, en is de grootste hypocriet en leugenaar in dit verhaal eigenlijk die schilder zelf.

Het lijkt me typerend voor Booth, een intelligent maar ook wat behoudend criticus met een sterke ethische inslag, dat hij in dit geval niet goed kan leven met die dubbelzinnigheid. Hij staat in zijn boek uitgebreid stil bij dit verhaal omdat hij betwijfelt of deze ambivalentie artistiek geslaagd is. Aangezien de onbetrouwbaarheid van de verteller in ‘The Liar’ bijna een eeuw lang door niemand lijkt te zijn opgemerkt, concludeert hij, is het verhaal eigenlijk mislukt. Want de scherpzinnige maar vrij rechtlijnige Booth vindt dat je moet kiezen: of de leugenachtige echtgenoot is moreel verwerpelijk (zoals lezers decennia hebben gedacht), of de glurende schilder (zoals zich nu bijna onontkoombaar opdringt).

Dienen beide mogelijkheden zich even sterk aan, dan is het voor Booth van tweeën één: ofwel James laat de onbetrouwbaarheid van die verteller onvoldoende uit de verf komen, zodat lezers het vaak niet door hebben; of James wilde ons helemaal geen onbetrouwbare verteller voorschotelen, maar was zich niet bewust van de dubbelzinnigheden in zijn verhaal die latere lezers toch die kant op duwen. In beide gevallen is het James die tekortschiet.

Dat is natuurlijk mogelijk. Zelf zou ik James niet te snel onderschatten, en ga ik er maar vanuit dat de dubbelzinnigheid in het verhaal, die dubieuze betrouwbaarheid van de verteller, er wel degelijk met opzet in geschreven is.

Maar de analyse die Booth in het verhaal geeft, en die ik hier natuurlijk vrij plat samenvat, wijst wel op een spanningsveld waar je bij het lezen van James vaak mee te maken hebt: in hoeverre is er sprake van vaagheid of doelbewuste meerduidigheid? Of van een historische afstand waardoor wij niet meer precies kunnen weten hoe de tekst bedoeld was? In hoeverre bevatten bepaalde zinswendingen (ook bijvoorbeeld in ‘De figuur in het tapijt’ of The Aspern Papers) ironische seksuele dubbelzinnigheden voor de goede verstaander, en in hoeverre zijn het slechts onbedoelde schunnigheden die voortkomen uit James’ idiosyncratische taalgebruik of de verschillen tussen het Engels van nu en toen (een tijd immers waarin ‘ejaculate’ nog een volkomen onschuldige betekenis had)? Lezen we James met een al te post-Freudiaanse blik—of schreef James juist met een sensibiliteit die de inzichten van Freud al voorvoelde voordat de Weense psychiater ze te boek had gesteld?

De lezer mag er zelf over oordelen, ook met deze oude vertaling. Voor een moderne vertaling ontbeer ik nu de tijd.

Download

‘The Liar’ verscheen voor het eerst in The Century Magazine in de zomer van 1888, en werd een jaar later voor het eerst in boekvorm gebundeld in A London Life. De tekst van de Amerikaanse editie daarvan staat op Wikisource.

Deze contemporaine en anonieme vertaling verscheen in 1890 in Nederland in het maandblad De huisvriend (1880-1905). De Nederlandse vertaling is ook te lezen op DBNL, maar dan verdeeld over drie afleveringen op verschillende webpagina’s. (Klik hier voor aflevering 1, 2 en 3.) Voor deze download heb ik de tekst van DBNL gekopieerd, samengevoegd tot één bestand, licht geredigeerd en voorzien van enkele voetnoten met achtergrondinformatie en commentaar op één opvallende (en ongelukkige) vertaalkeuze.

‘De leugenaar’ is hier te downloaden als epubKindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

Ik heb me voorgenomen om dit jaar elke maand een verhaal van Henry James in vertaling online te zetten. Dit is het achtste verhaal in die reeks (en deo volente het enige dat ik niet zelf heb vertaald). Alle verhalen zijn op dit blog bij elkaar te vinden onder het label James-project.

Klik hier voor een overzicht van alle mij bekende Nederlandse vertalingen van James’ werk, en hier voor een overzicht van mijn eigen online beschikbare vertalingen.

dinsdag 7 juli 2020

Sir Edmund Orme

Als nieuwe vertaling deze maand een verhaal van Henry James dat het oude boekenkatern van de Volkskrant in herinnering roept: ‘Sir Edmund Orme’.


Net als ‘Owen Wingrave’ van vorige maand is dit een spookverhaal—een populair genre in de negentiende eeuw, dat ook door serieuze schrijvers werd beoefend. (Ook het beste verhaal van Thomas Hardy is een spookverhaal.)

Net als in James’ beroemdste verhaal in dit genre, The Turn of the Screw, lijken de bovennatuurlijke verschijnselen hier voort te komen uit een vorm van seksuele repressie. En net zoals in die befaamde novelle is de strekking van het verhaal vrij dubbelzinnig: wordt de door een spookverschijning achtervolgde vrouw door de verteller van die bezoeking gered? Of wordt door hem juist haar duistere lot voorgoed bezegeld?

Wie in het slot nog een sprankje hoop meent te ontwaren, herleze immers het begin van het verhaal, waar het grimmige vervolg van hun hele romance al is aangestipt. Bij herlezing van het vervolg valt dan op hoezeer in het hele verhaal steeds sprake is van milde vormen van dwang. Zodat wellicht de vraag rijst waartoe je als vrouw in de victoriaanse tijd beter veroordeeld kon zijn: tot een lauw huwelijk of tot levenslange achtervolging door een spookverschijning.

Download

‘Sir Edmund Orme’ verscheen in 1891 in het kerstnummer van het blad Black and White en werd in 1892 opgenomen in The Lesson of the Master and Other Stories. Daarna werd nog een herziene versie van het verhaal opgenomen in deel 17 van de New York Edition (1907-1909). De brontekst voor deze vertaling is de eerste boekuitgave, beschikbaar op Wikisource.

De omslagillustratie is een uitsnede uit een decorontwerp (1906) van Edvard Munch (1863-1944) voor een opvoering van Spoken (1881) van Henrik Ibsen.

‘Sir Edmund Orme’ is te koop bij Kobo en Bol.com, en ook hier te downloaden als epubKindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

Ik heb me voorgenomen om dit jaar elke maand een verhaal van Henry James in vertaling online te zetten. Dit is het zevende verhaal in die reeks. Alle verhalen zijn op dit blog bij elkaar te vinden onder het label James-project.

Klik hier voor een overzicht van alle mij bekende Nederlandse vertalingen van James’ werk, en hier voor een overzicht van mijn eigen online beschikbare vertalingen.

maandag 1 juni 2020

Owen Wingrave

Een nieuwe maand, een nieuwe James-vertaling. Ditmaal ‘Owen Wingrave’, dat twee dingen gemeen heeft met een van James’ beroemdste werken, The Turn of the Screw: het zijn allebei spookverhalen, en Benjamin Britten heeft van allebei een opera gemaakt.

Daar houden de overeenkomsten dan ook op, want dit veel kortere verhaal is vooral een parabel over militarisme en de knellende kracht van conventies die mensen verhinderen zichzelf te zijn.


Je kunt het ook simpeler opvatten: als een vurig pleidooi tegen militarisme, of zelfs tegen oorlog in het algemeen. Nu denk ik niet dat James een pacifist was, en zeker niet zo’n militante als Owen Wingrave in zijn verhaal. Maar antimilitaristisch is het verhaal natuurlijk wel, en dat zal de reden zijn geweest dat Benjamin Britten hiervan—in de tijd van de Vietnamoorlog—een tv-opera maakte.

Die opera is in 2015 opgevoerd door het Nederlandse Opera Trionfo, in een regie van Florian Visser en met een schitterend decor van Gary McCann. Er zijn nog foto’s van te zien op de site van die laatste, maar die kunnen slechts een flauwe indruk geven van hoe mooi en beklemmend deze hele enscenering was.

toneelontwerp voor Owen Wingrave van Gary McCann;
zie zijn site voor meer
Ik heb die opera gezien in Amersfoort en hoewel ik ‘Owen Wingrave’ weleens gelezen had, voelde de opera weer een beetje als een eerste kennismaking met het verhaal. Het was in ieder geval die voorstelling die me ertoe bracht om ook aan dit verhaal (tot dan toe niet een van mijn favorieten) een vertaalpoging te wagen. Al het heeft nog wel even geduurd voordat ik eraan begon, en daarna nog een jaar of drie voordat ik een versie had die ik een beetje te pruimen vond. Hier is het voorlopige eindresultaat.

Download

‘Owen Wingrave’ stond in 1892 in het tijdschrift The Graphic en verscheen daarna in boekvorm in The Private Life and other stories (1893). Die eerste boekuitgave, waarvan de Amerikaanse editie beschikbaar is op Wikisource, is de brontekst voor deze vertaling.

De omslagillustratie is een uitsnede uit View of the Long Gallery at Aston Hall (ca. 1870-1880) van Cecilia C. Foster.

Owen Wingrave is te koop bij Kobo en Bol.com, en anders hier te downloaden als epub, Kindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

Ik heb me voorgenomen om dit jaar elke maand een verhaal van Henry James in vertaling online te zetten. Dit is het zesde verhaal in die reeks. Alle verhalen zijn op dit blog bij elkaar te vinden onder het label James-project.

Klik hier voor een overzicht van alle mij bekende Nederlandse vertalingen van James’ werk, en hier voor een overzicht van mijn eigen online beschikbare vertalingen.

donderdag 28 mei 2020

Balzac en de meisjes

De recensent als de hoer van de literatuur, de literair criticus als steriele zuurpruim: het is een gangbaar beeld.
What constitutes a whore

Women who have led the life now so violently repudiated by Esther reach a point of total indifference to man’s exterior form. They are like the literary critic of today, who may be compared with them in more than one respect and who attains to a profound unconcern with artistic standards: he has read so many books, forgotten so many, is so accustomed to written pages, has watched so many plots unfold, witnessed so many dramatic climaxes, he has produced so many articles without saying what he really thought, so often betraying art to serve his friendships and his enmities, that in the end he views everything with distaste and continues nevertheless to judge. It would need a miracle for such a writer to produce a single book of his own, just as it needs a miracle for a pure and noble love to blossom in the heart of a courtesan.

Over prostitutie denken (of althans praten) we tegenwoordig wel wat anders dan Balzac in zijn roman Splendeurs et misères des courtisanes, maar de karakterschets van ‘de recensent’ die ik daarin onlangs tegenkwam, is nog steeds een vertrouwd cliché. Denk alleen al aan de culinair recensent in Pixar’s Ratatouille: van hetzelfde zure laken een pak.

Ik citeer deze passage uit de roman van Balzac met opzet in de Engelse vertaling van Rayner Heppenstall. Ik schreef hier al eerder dat ik zou willen dat er meer van Balzac in het Nederlands werd vertaald. Ik kan een beetje Frans lezen—een stripboek lukt meestal nog wel. Maar in die dikke romans van Balzac loop ik vaak vast. Mijn leestempo zakt dan te ver terug om er nog van te kunnen genieten.

Daarbij vrees ik dat ik soms nuances of zelfs cruciale betekenissen mis. Wat ik met dit citaat goed kan illustreren.

A Harlot High and Low

Splendeurs is bij mijn weten nooit in het Nederlands vertaald, dus om het een beetje vlot te kunnen lezen moest ik mijn toevlucht nemen tot een Engelse versie. Dat werd de Penguin-uitgave, met deze vertaling van Heppenstall uit 1970.

Op internet zijn nog minstens twee andere vertalingen gratis online te vinden. De eerste is de 19de-eeuwse vertaling van Ellery Sedgwick: hier zie je dezelfde passage in zijn versie. (Ja nee, Ellery is dus een man, maar dáár wil ik het nu even niet over hebben.)

En bij het Gutenberg Project staat een vertaling van James Waring. (Ja nee, James Waring is dus een vrouw, want een pseudoniem van Ellen Marriage. Extra verwarrend omdat die echte naam juist meer op een pseudoniem lijkt—maar dáár wil ik het nu even niet over hebben.)

Opvallend in die laatste twee vertalingen is dat het kopje daarin ontbreekt. ‘What constitutes a whore’ is bij Heppenstall de titel van een hoofstuk. Het eerste van de vier boeken waarin de roman is ingedeeld, getiteld ‘Esther’s Happiest Days’, bestaat bij Heppenstall uit tweeëndertig korte hoofdstukjes. In de andere twee Engelse vertalingen is dat hele eerste boek één lange lap tekst van 200 pagina’s.

In geen van beide gevallen gaat het om een vertalersingreep. De tekstuele geschiedenis van Balzac’s romans is complex: Sedgwick en Waring zullen een Franse editie hebben gebruikt waarin die hoofdstukindeling ontbrak (zoals de versie die te vinden is op Wikisource), terwijl Heppenstall waarschijnlijk kon beschikken over een editie waarin die hoofdstuktitels wel voorkomen (zoals de goed verzorgde editie van Classiques Garnier waarover ik beschik). Hij heeft ze in ieder geval niet uit zijn duim gezogen.

Dat wil niet zeggen dat Heppenstall niet eigenwijs kan zijn bij het vertalen van titels. Neem alleen al de titel van de hele roman: Sedgwick koos, als een negentiende-eeuwse Google Translate, voor The Splendors and Miseries Of Courtesans; Waring, wat creatiever, komt met Scenes From A Courtesan’s Life. Bij Heppenstall wordt het A Harlot High and Low.


En nu komen we bij mijn punt: die hoofdstuktitel ‘What constitutes a whore’. De Franse titel luidt, verrassend misschien: ‘Ce que c’est que les filles’.

En dát illustreert dus waarom ik een vertaling nodig heb om deze roman te lezen. Met mijn middelbare-school-Frans weet ik nog wel dat fille behalve meisje ook dochter kan betekenen, wat ik soms al verwarrend genoeg vind. Maar dat je die Franse meisjes in sommige contexten ook simpelweg kunt opvatten als ‘hoer’, daar was ik in mijn eentje niet meteen op gekomen.

Wie net zo weinig weet als ik en denkt dat dit gewoon een rare bokkensprong van Heppenstall is, vindt daarvoor al meteen een tegenargument bij de andere twee vertalingen. Neem dat eerste boek van de roman, bij Heppenstall simpelweg ‘Esther’s Happiest Days’ getiteld: dat heeft ook nog de Franse ondertitel ‘Comment aiment les filles’ (die door Heppenstall is weggelaten). Sedgwick maakt daarvan: ‘The Way That Girls Love’. Klinkt onschuldig. Maar ook Waring kleurt fille hier heel anders in, met de vertaling: ‘Esther Happy; or, How A Courtesan Can Love’.

Ook zonder de Van Dale erop na te slaan (Frans-Nederlands, betekenis 4) is dus al duidelijk dat Heppenstall niet de enige is die in fille een betekenis herkent waar je als scholier niet meteen aan denkt bij ‘la fille fume une pipe’. (Of weet ik veel, sommige scholieren misschien wel, maar dan is het een hormonenkwestie, geen talenkennis.)

Meisjes

Wel is Heppenstall duidelijk veel dwingender in zijn vertaling dan zijn twee voorgangers. Hij wil zijn lezers goed inwrijven waarmee we hier te maken hebben en verkiest het lagere register van whore vaak boven minder platte varianten. Neem het zinnetje ‘Vous êtes toujours courtisane’ verderop in dit hoofdstuk: door de andere twee vertalers vertaald als ‘You are still a courtesan’; bij hem wordt het ‘You are still a whore’.

Hoe terecht dat is, durf ik niet te beoordelen. Ten eerste zit ik nog maar op pagina 40 van een roman van 600 bladzijden. Ten tweede weet ik te weinig van het Frans om die nuances precies op waarde te kunnen schatten.

Meisje op de vloer
in Splendeurs et misères des courtisanes
bron: Wikipedia
En dat is dus precies de reden dat ik voor Franse romans toch een goede vertaling nodig heb. (Zoals veel Nederlandse lezers overigens ook voor Engelstalige romans eigenlijk een goede vertaling nodig zouden hebben, ook als ze zelf menen van niet—omdat hun Engels lang niet altijd zo goed is als ze zelf denken. Sterker nog, ik merk het af en toe zelf, als ik een tekst aan het vertalen ben en ineens moet concluderen dat een zin iets heel anders betekende dan ik aanvankelijk dacht, omdat ik aan een bepaald woord een verkeerde betekenis toekende of een grammaticale constructie niet goed had doorzien.)

Met veel geduld en een woordenboek kom ik er misschien wel uit, maar ik laat me graag bij de hand nemen door een gids met meer kennis en ervaring. Of de vertaling van Heppenstall in dat opzicht ideaal is, weet ik niet. Ik had graag een goede Nederlandse vertaling gehad, maar die is er niet. Uitgevers, doe er wat aan!

Wel is Heppenstall duidelijk een man met een mening over zijn tekst, zoals ook blijkt uit de inleiding die hij bij de roman schreef. Daarin voorziet hij niet alleen het verhaal van Balzac, maar ook zijn vertaling van een toelichting. Hij stipt een paar interessante vertaalkeuzes en -problemen aan en erkent ruiterlijk—heel verfrissend—dat hij sommige zaken gewoon niet bevredigend heeft kunnen oplossen.

Tot besluit daarom hier het vertaalgedeelte van zijn inleiding:

The Translation


            Poor workmen blame their tools, and the difficulties of its translator do not ordinarily concern the reader of a novel from a foreign language. The thing should simply read well in its new language and the translator’s fidelity to his original be taken for granted. In the present case, there were, however, one or two problems which I hope were insoluble, since I am conscious of not having solved them. Nor can they be effectively concealed. They appear as snags on the surface. The reader is bound to notice them.
            Of such unsolved problems the least deeply significant but most recurrently tedious was the dialogue given to Baron Nucingen, the banker, commonly understood to be Alsatian but on occasion referred to, in respect of his way of speech, as a Polish Jew. In the original, Balzac prints all his lines in italics, and he distorts them to the point of near-unintelligibility in a perfectly systematic fashion, always changing certain vowels and, in the case of consonants, everywhere substituting a voiced for an unvoiced, an unvoiced for a voiced, consonant, i.e., a p for a b but also a b for a p, a t for a d but also a d for a t, a k for a hard g and vice versa, ch for j, j for ch and so on. I have been less systematic. In the result, I fancy that what Nucingen says is in general a bit less immediately unintelligible, though not much. Whenever I saw dialogue in italics coming up, I groaned and was tempted to give up. I did not feel justified in too much pre-alleviating the reader’s inevitable groans. To be largely unintelligible is an essential part of the baron’s character. No doubt to the reader, as it was to the translator, it will be a great relief when he finally disappears on page 290, having been replaced briefly by a supposed Englishman.
            An obviously difficult but more interesting problem was the underworld slang largely concentrated in Part Four. There was an English equivalent at the time, some of it already to be found among the Elizabethans, some of it oddly surviving in the form of schoolgirl or Mayfair affectation, some wrongly thought to be of recent American importation. Again, I have been somewhat less systematic than Balzac, who, it may be noted, was himself no great authority on the subject, which could be quickly read up from glossaries published in his day, notably that appended to one of the volumes of Vidocq apocrypha, Les Voleurs. Not all Balzac’s forms can be traced to their sources, however, and some of them suggest that he misunderstood. The most fascinating of all these words was, to me, ‘dab’. I suppose it was of gipsy origin. Certainly it was international, developing in English rather towards the side of practised skill (as in ‘dab hand’ or ‘to be a dab at’), in French towards the side of leadership. At any rate, the reader may be assured that, wherever he reads ‘dab’ in this translation, he would be reading just that also in French. Odd uses of words, as opposed to the use of odd words, I have sometimes translated literally, as in the case of ‘sanglier’ for a priest or ‘la Cigogne’ for what is only very loosely equivalent to the office of our Director of Public Prosecutions. This practice will, I hope, not be found to have introduced any new element of confusion.
            Felt by criminals to be the seat of the authority they dread at the Law Courts, what they describe (for no obvious reason) as the Stork is perhaps no less oddly described by lawyers to this day as ‘le Parquet’. This term is, I am told, commonly understood in the legal world to derive from the fact that magistrates from the procuracy take the floor. They belong, that is to say, to the standing magistracy, the magistrature debout, as opposed to the seated magistracy or Bench, the magistrature assise. For prosecuting counsel in French courts of assize are magistrates and wear red gowns. They never speak for the defence in criminal cases, any more than black-gowned advocates ever directly prosecute. To the French, it seems odd that a barrister may, with us, even if he is a Q.C., sometimes present, and sometimes oppose, a case brought by the Crown. As Procureur Général in Paris (there are procureurs-généraux in the departments, just as there are attorneys general in the American states) M. de Granville was, in effect, both Director of Public Prosecutions and Attorney General, with the important difference that, unlike our Attorney General, he was not a member of the government of the day. The Keeper of the Seals, on the other hand, was. ‘Keeper of the Seals’ is, in France, simply another title of the Minister of Justice. Like our Attorney General, M. de Granville might himself speak for the prosecution in court, though some lesser representative of the public ministry might equally, when not on his feet, occupy that little horse-box where prosecuting counsel sits most of the time and for which also ‘le parquet’ is an appropriate name.
            Not that we ever, in this novel, find ourselves in court, though in Parts Three and Four lawyers, and especially Parquet personnel, abound. The reader will manage, I hope, without knowing much about the French legal system and its ways of proceeding. If he wants to know more, I might perhaps, without immodesty, direct his attention to the relevant chapters in two books of my own, A Little Pattern of French Crime and French Crime in the Romantic Age. There also he will find something about the Conciergerie and other prisons and the changing organization of the French police, though Balzac, I fancy, is clear enough about all that. I had trouble with the word ‘police’ itself, more often meaning police work or police methods than a simple collectivity of policemen, but that needn’t bother the reader.
            Nor, I hope, need that classification of the types of harlotry, that pornotypology, which so occupied writers in Balzac’s time. It was the simplest and most general word of all, ‘fille’, which gave me most trouble. We have no word which may equally mean a common prostitute, a serving woman, in certain contexts a nun, and at the same time a daughter of even the most respectable or noble family, and it is with the large general category of ‘les filles’ that Balzac’s sociology and psychology are concerned. His generalizations are all about what ‘les filles’ think, feel and do, not with the possibly more specific thoughts, emotions and actions of ‘courtisanes’, ‘lorettes’, ‘rats’ and ‘filles soumises’, let alone with those of little seamstresses or grisettes. The cruellest deed ever performed by Vautrin was, I feel sure, suggested to Balzac’s mind by the simple linguistic fact that a ‘fille’ was also a daughter and that nothing renders a man so vulnerable as a cherished daughter, who may be turned overnight into a fille publique. The same thing might occur in an English novel, but the language itself would not bring this about.
            The totally inescapable snag was more specific, and there was nothing my conscience would let me do to conceal it. While I was known to be translating this book, a question I was asked by both French and knowledgeable English admirers of Balzac was what I proposed to do about Esther’s nickname. The reader would not have been long in finding out, and I fancy he might have been jolted. The English translator of Félicien Marceau’s still-quite-recent book on the world of Balzac has, I see, let the name stand in French as ‘ la Torpille’. I have been bolder. I have allowed Esther to be referred to as ‘the Torpedo’, fully aware that this lends her associations we might nowadays think more characteristic of some blonde bombshell, Esther being neither a bombshell nor (except on an early page, through Balzac’s forgetfulness) blonde. The word ‘torpille’ is French for a numb-fish, cramp-fish or electric ray (not to be confused with the sting ray). ‘Torpedo’ was the Latin word for this fish. When moored or floating mines were devised as an instrument of naval warfare, we and the French both named them after it. You touched them and got a shock. The French and ourselves now both reserve the designation ‘torpille’ or ‘torpedo’ to the self-propelled weapon originally called a ‘torpille locomotrice’ or ‘locomotive torpedo’. Neither we nor they now think of a moored or floating mine as a torpedo. The word ‘torpille’, it is true, may still be used in French for a numb-fish, cramp-fish or electric ray, but the fact seems to be unknown to most Frenchmen, except perhaps on the Mediterranean. I have certainly found it to be unknown to a university-educated young Breton. The fish itself is, I dare say, less common in our waters.

vrijdag 22 mei 2020

Project Hardy

Net als Thomas Hardy spring ik graag op de fiets. Maar als je de vaart erin hebt, vergeet je soms van het landschap te genieten. Dan moet je even afstappen om weer eens aan de rozen te ruiken. Of op de foto te gaan.

Thomas Hardy, fervent wielrijder.
bron: The Guardian


Zo ook met bloggen: nieuwe berichten toevoegen gaat gemakkelijk genoeg. Het overzicht behouden en alle informatie inzichtelijk organiseren is andere koek.

Daarom stap ik hier even af voor een kleine inhoudsopgave van het Hardy-project en de relevantste aanverwante pagina’s op dit blog.

Hardy

Dit blog bevat vier berichten met oude en nieuwe vertalingen van werk van Thomas Hardy:
  1. De novelle Romantische avonturen van een melkmeisje in een anonieme vertaling: blogbericht hier.
    Gratis download in de oude spelling als epub, Kindle-bestand of Word-document.
    Download in moderne spelling via Kobo, Bol.com en Amazon.

  2. Mijn vertaling van het ‘vermiste’ hoofstuk uit deze novelle, samen met de later alsnog opgedoken tekst van de oorspronkelijke vertaling: blogbericht hier; gratis download hier.

  3. Mijn vertaling van Hardy’s meesterwerkje ‘The Withered Arm’ en twee andere verhalen: blogbericht hier; te koop bij Kobo en Bol.com.

  4. Het verhaal ‘Drie niesende dieven’: blogbericht hier; download hier.

Andere fietsers

Daarnaast zijn op dit blog en op mijn homepage vertalingen te vinden van schrijvers die zo’n beetje met Hardy mee fietsten—tijdgenoten, voorgangers en een enkele jonge blaag als Rudyard Kipling.

Dat betreft vooral verhalen van Henry James: de groeiende reeks blogberichten daarover (met downloadlinks) staat hier bijeen onder het label James-project.

Een beetje schrijver raakte eind negentiende-eeuw
verslingerd aan de fiets

Verder een mooi verhaal van Balzac: blogbericht (met downloadlink) hier.

En een complete lijst van alle hier beschikbare verhalen van Hardy, James en tijd- of soortgenoten (Kipling, Conan Doyle, Harte) staat hier op mijn homepage.

Vooral literatuur uit de oude doos dus. Het recentste verhaal, afkomstig van voornoemde jonge blaag, dateert alweer van 1925, toen ook hij inmiddels een oude man was, en bijna uitgefietst.

Over fietsen gesproken: ook latere schrijvers maakten natuurlijk weleens een toertje. Maar die zagen er dan zo intimiderend cool uit—daar heb ik mij nog maar niet aan gewaagd...

Nog een schrijvende Henry op de fiets


vrijdag 15 mei 2020

Kuuroord Bournemouth

Bij de verhalen van Henry James waarvan ik dit jaar nog een vertaling online hoop te zetten, zijn er twee die zich geheel of gedeeltelijk afspelen in Bournemouth: ‘Sir Edmund Orme’ en ‘The Middle Years’. Die zuidelijke Engelse badplaats fungeerde in de negentiende eeuw ook als kuuroord voor (vaak terminaal) zieke Engelsen die geen geld of geen zin hadden om in Zuid-Europa of de Alpen op kuur te gaan. Dit aspect van de stad speelt vooral een rol in het laatstgenoemde verhaal, over de zwanenzang van een doodzieke schrijver.

Nu is er in het laatste nummer van de London Review of Books net een lang artikel van de geweldige Andrew O’Hagan verschenen over de jaren dat de door tbc-geplaagde Robert Louis Stevenson in Bournemouth woonde en daar een innige vriendschap sloot met Henry James.

John Singer Sargent  (1856-1925), Robert Louis Stevenson and His Wife
Over die vriendschap heb ik hier al eerder iets geschreven naar aanleiding van ‘De huwelijken’, een verhaal van James dat Stevenson een uitzinnig lofdicht ontlokte. Maar dat blogstukje van mij is hooguit een voetnoot bij het veel uitgebreidere en boeiende beeld dat O’Hagan van deze schrijversvriendschap schetst: lees dat artikel, het is een schitterend (en schitterend geschreven) portret van beide schrijvers en wat ze voor elkaar betekenden.

Behalve over hun vriendschap brengt O’Hagan ook interessante zaken te berde over het werk van zowel James—van The Bostonians en ‘The Author of Beltraffio’ (wil ik zeker nog eens vertalen) tot The Princess Casamassima en The Lesson of the Master (hier in vertaling te vinden)—als Stevenson. Daarbij legt hij bijvoorbeeld een verrassende link tussen James en Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde. Vergezocht of niet: in de literatuur bestaat geen toeval, en ik lees liever complottheorieën over de betekenis van een literair werk dan over zendmasten.

Henry James—in 1880 (TLS), of 1890 (Wikipedia)?
Ik ga dat artikel van O’Hagan hier niet samenvatten, ik raad iedereen aan het vooral zelf te lezen. Als service aan de lezer bied ik hier alleen twee illustraties die bij het artikel ontbreken. Ten eerste het daarin beschreven schilderij van Singer Sargent (de bovenste afbeelding). En op de meeste afbeeldingen van Henry James is geen baard te bekennen; maar voor wie wil weten hoe hij eruitzag met de door O’Hagan genoemde baard die hij in de jaren 80 en 90 droeg, geeft bovenstaande foto een indruk.

vrijdag 1 mei 2020

Vier ontmoetingen

Tijd voor een nieuwe vertaling. ‘Four Meetings’ is een vrij vroeg verhaal van Henry James (het dateert van vlak voor Daisy Miller) en het is ook een van zijn kortere. Zelf vond hij het een toonbeeld van beknoptheid—al wist hij die beknoptheid zelden te herhalen, en dijde het verhaal ook danig uit toen hij het bijna dertig jaar later herschreef voor de verzamelde editie van zijn werk. Het is de frisse, compactere eerste versie die ik hier heb vertaald.

In deze relatief korte satirische schets toont James zich van zijn lichtere kant. Toch is het verhaal ook niet helemaal helemaal vrij van persoonlijke preoccupaties met een serieuzere ondertoon: in het wrange portret van de Bostonse schooljuf die dweept met Europa, een soort fotonegatief van Daisy Miller, zit volgens mij iets van James’ angst voor wat er van hemzelf zou zijn geworden als hij in Amerika gebleven was. Niet voor niets vertrok hij al vrij jong naar Europa om zich te ontworstelen aan de knellende banden van zijn familie en het beschaafde, maar in zijn beleving ook benepen Boston. In Europa zocht hij de vrijheid die hij voor zijn schrijverschap nodig had.

Daarbij is de plot een typerend voorbeeld van zijn kijk op de strijd tussen goed en kwaad: de spanning tussen mensen die tot zelfopoffering zijn geneigd en anderen die daar harteloos misbruik van maken; een thema dat in bijna al zijn latere werk is terug te vinden, van The Portrait of a Lady tot late romans als The Wings of the Dove en The Golden Bowl—waarin het natuurlijk veel genuanceerder wordt uitgewerkt.

William Turner (1775-1851), Le Havre: Tour de François Ier
(bron: Tate Gallery)

Deze vertaling is niet gloednieuw: een eerdere versie stond meer dan tien jaar geleden in het tijdschrift De brakke hond. Toen onder de titel ‘Vier gesprekken’, die ik inmiddels minder geslaagd vind.

De nieuwe titel, ‘Vier ontmoetingen’, is ook niet heel elegant. Dat abstracte ‘ontmoeting’ riekt toch altijd een beetje naar een woordenboekvertaling voor meeting: de eerste betekenis die het woordenboek geeft, maar die bijna nooit echt de juiste vertaling is. In het Nederlands hou je bijvoorbeeld een vergadering, maak je een afspraak of heb je een gesprek—voor Engelstaligen is het allemaal een meeting.

Toch laat ik het nu maar bij ‘ontmoetingen’, om twee redenen. De verteller schetst het portret van een vrouw die hij in zijn hele leven vier keer heeft gesproken. Telkens is het niet zozeer hun gesprek waar het om gaat, maar hoe hij haar elke keer aantreft en wat hij observeert—de Werdegang die hij haar ziet maken. Alsof hij vier keer een andere vrouw ontmoet—die toch ook benauwend trouw blijft aan zichzelf.

Bovendien doet ‘ontmoeting’ recht aan de literaire verwijzing naar het verhaal van Toergenjev dat James gekend zal hebben onder de Franse titel ‘Trois rencontres’ (en dat al in het Nederlands is vertaald als ‘Drie ontmoetingen’). Dat de titel door Toergenjevs verhaal was ingegeven, blijkt wel uit een verschrijving in een brief uit 1879, waarin James een journaliste bedankt voor de aandacht die zij in een tijdschrift heeft geschonken aan zijn—zo schrijft hij—‘Daisy Miller & the “3 Meetings”’.

Inhoudelijk heeft Toergenjevs verhaal overigens geen enkele overeenkomst met ‘Four Meetings’, dus de literaire verwantschap beperkt zich tot de titel—maar die is ongetwijfeld een eerbetoon aan een schrijver die James hogelijk bewonderde.

Behalve de titel heb ik ook de rest van de vertaling grondig herzien: het weerzien met de oude tekst was soms net zo’n grote schok als de latere ontmoetingen van de verteller met de hoofdpersoon van zijn verhaal. Ik kan alleen maar hopen dat er in deze nieuwe versie weer wat meer van die goeie ouwe James is overgebleven.

Download

‘Four Meetings’ verscheen in 1877 in Scribner’s Monthly en werd in 1879 voor het eerst in boekvorm uitgegeven, gebundeld met Daisy Miller en An International Episode. Die eerste boekversie, en niet de flink uitgebreide en herziene tekst uit de New York Edition van bijna dertig jaar later, vormt de brontekst voor deze vertaling.

‘Vier ontmoetingen’ is te koop bij Kobo en Bol.com, en anders hier te downloaden als epubKindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

Ik heb me voorgenomen om dit jaar elke maand een verhaal van Henry James in vertaling online te zetten. Dit is het vijfde verhaal in die reeks. Alle verhalen zijn op dit blog bij elkaar te vinden onder het label James-project.

Klik hier voor een overzicht van alle mij bekende Nederlandse vertalingen van James’ werk, en hier voor een overzicht van mijn eigen online beschikbare vertalingen.

donderdag 9 april 2020

Adieu

Ik lees graag Balzac, maar het komt er niet vaak van, want in het Frans gaat me dat niet heel vlot af. Helaas is er niet veel van hem in vertaling te krijgen. Ik was dus blij verrast toen ik vorige zomer een verhaal van hem aantrof in de bloemlezing Liefdesverhalen uit de wereldliteratuur (1954), waarover ik hier al eerder schreef.

Het was een lang verhaal met een korte, intrigerende titel: Adieu. Dat wekte een vaag vermoeden van sentimentaliteit. Het zou toch geen hoogromantisch zwijmelverhaal zijn? Eerst las ik een aantal andere verhalen in de bundel. Die waren soms goed, soms slecht. Net als de vertalingen: die konden er soms nog prima mee door, en waren soms ondraaglijk oubollig, zoals bij het verhaal van Bocaccio.

Toen ik bij het verhaal van Balzac belandde, stelde dat gelukkig niet teleur. Met de romantische sentimentaliteit viel het wel mee, en op de raadselachtige eerste scènes volgde een wending die ik niet meteen zag aankomen. Ik had deze novelle aangetroffen in een bundel liefdesverhalen, maar of het nou de liefde is die je van dit verhaal het meest bijblijft...

Ik zal er verder niets over verklappen, behalve dat ik iedereen dit werkje kan aanraden en het een fraai voorbeeld van Balzac’s vertelkunst vind: hoe hij je met levendige en prikkelende scènes zijn verhaal in trekt en de informatie steeds slim doseert.

Daarnaast kon de vertaling er naar mijn idee nog prima mee door. Die is natuurlijk gesteld in het Nederlands van de jaren vijftig, maar toch nog heel vlot leesbaar. En zoals me ook al eens is opgevallen bij oudere vertalingen van Henry James: sommige licht verouderde elementen in zo’n vertaling kunnen de tekst ook een patina geven dat wel past bij zo’n vroeg-negentiende-eeuwse vertelling.


Daarom bied ik het verhaal hier ter download aan. De vertaling, dat is ook wel leuk, is van de hand van Bert Japin—de vader van de succesvolle romanschrijver. Bert Japin werkte in de jaren vijftig en zestig als toneelrecensent en schreef en vertaalde enkele detectiveromans—en dus ook dit verhaal van Balzac. Ik ben Arthur Japin heel erkentelijk dat hij toestemming heeft gegeven om die tekst hier online te zetten.

Want nogmaals: ik vind dat er veel te weinig van Balzac in het Nederlands verkrijgbaar is. Volgens Bol.com zijn er maar drie Nederlandse titels in druk: Kolonel Chabert (vertaling Hans van Pinxteren), Verloren illusies (Jan Versteeg) en De huid van chagrijn (Jean Schalekamp). Hans van Pinxteren heeft nog veel meer romans van Balzac vertaald, maar die zijn hooguit tweedehands te vinden.

Dus kom op, Nederlandse uitgevers, toon een beetje lef en investeer in Balzac. Waar blijft de Nederlandse vertaling van Splendeurs et misères des courtisanes? Van Le Lys dans la vallée? Van La femme de trente ans of La duchesse de Langeais? Waar blijft de integrale uitgave van de Comédie humaine in het Nederlands?

Voorlopig moeten we het doen met de hierboven genoemde drie romans. Plus dan nu dit e-boekje met een korte novelle uit de Études philosophiques, in de vertaling van Bert Japin uit 1954.

Als dit naar meer smaakt, dan raad ik aan Kolonel Chabert op te snorren, een werk dat thematisch sterk aan Adieu is verwant. (Waarmee ik toch nog iets van het verhaal verklap, maar gelukkig alleen voor wie Kolonel Chabert al kent.)

Download

Bert Japins vertaling van Adieu is hier te downloaden als epubKindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

De illustratie, ook afkomstig uit Liefdesverhalen uit de wereldliteratuur, is van Gerard Douwe.

woensdag 1 april 2020

De verdorde arm

Het verhaal van Henry James dat voor april was bedoeld, heb ik vorige week al geplaatst. Maar een hele maand zonder nieuwe vertaling is in deze tijden ook maar saai, en gelukkig heb ik nog iets anders liggen: drie verhalen van Thomas Hardy.


Naast romans en poëzie produceerde Hardy een vijftigtal korte verhalen, die hij vooral voor het geld schreef: de bladenmarkt was eind negentiende eeuw erg lucratief en de vraag naar korte verhalen was groot. De kwaliteit van veel van die verhalen haalt het niet bij die van zijn gedichten en romans. Met één grote uitzondering: het hier vertaalde ‘The Withered Arm’, dat ik beschouw als een van zijn meesterwerken, en een van de beste Engelse korte verhalen van de hele negentiende eeuw.

Ik heb het gebundeld met twee andere markante verhalen, ‘On the Western Circuit’ en ‘The Fiddler of the Reels’. Veel toelichting hebben die verder niet nodig, zoals Hardy’s werk dat zelden heeft. Het spreekt doorgaans voor zich en doet, ondanks het onmiskenbaar negentiende-eeuwse decor waartegen zijn verhalen zich afspelen, vaak zeer modern aan—van de liefde-per-correspondentie in ‘On the Western Circuit’ (die mij aan niets zo sterk doet denken als aan online daten) tot het samengestelde gezin in ‘The Fiddler of the Reels’.

Het zijn typische Hardy-verhalen in hun thematiek: ze gaan veelal over de moeizame verhouding tussen man en vrouw, waarbij de sympathie, of in ieder geval de grootste kracht steevast meer bij de vrouwen dan bij de mannen ligt. Die laatsten zijn in bijna alle gevallen de zwakkere partij—voor zover ze al enige rol van betekenis spelen.

Verder wil ik alleen nog wijzen op het belangrijke motief van circulariteit, dat in al deze verhalen (jawel:) terugkeert. (Evenals trouwens in een gedicht waar ik eerder over schreef.) Bij ‘In de carrousel’ (‘On the Western Circuit’) spreekt dat natuurlijk al uit de titel—maar ook ‘De speelman’ beschrijft een soort cirkelgang, en in ‘De verdorde arm’ is het weliswaar subtieler, maar des te betekenisvoller verwerkt.

Download

De verdorde arm en andere verhalen is te koop bij Kobo en Bol.com. Het is ook hier te downloaden als epub, Kindle-bestand (mobi) of Word-bestand.

Klik hier voor enkele andere vertalingen van Hardy’s werk.

De omslagillustratie is De koemelkster, een houtsnede van Jan Mankes (1889-1920).

zaterdag 28 maart 2020

De onuitstaanbare Griselda

Geen ‘zwijmelende bakvissen en overspelige manspersonen’ dus in de bloemlezing Liefdesverhalen uit de Wereldliteratuur, waar ik gisteren over schreef. Maar wel een paar prikkelende plaatjes, waardoor ik vermoed dat boekhandelaren dit boek in de jaren vijftig ook niet zomaar aan bakvissen wilden meegeven.

illustratie Gerard Douwe
uit Liefdesverhalen uit de wereldliteratuur

Wat de vertalingen in deze bloemlezing betreft: die kunnen soms beter. Gelukkig zijn er voor sommige verhalen ook betere alternatieven voorhanden. Van Benjamin Constants Adolphe, in deze bundel vertaald door Jacoba van Velde, is later een vertaling van Martin de Haan verschenen die ongetwijfeld een stuk frisser is. En van Schnitzlers Droomnovelle verscheen in 2005 een fraaie vertaling van Elly Schippers waarvan ik, na vergelijking van enkele fragmenten, zonder meer kan zeggen dat die veel beter is dan de hierin opgenomen vertaling van Jacoba van Velde (en trouwens ook veel prettiger leest dan de latere, nogal stramme vertaling van Pim Lukkenaer in de Prisma Klassieken-reeks).

Maar voor andere verhalen is nauwelijks een alternatief te vinden. Van Colette’s charmante en destijds beroemde novelle Gigi zou bijvoorbeeld best eens een nieuwe vertaling mogen verschijnen. Het verscheen in de jaren 60 nog eens bij Bruna in een andere vertaling, van Freddie van Charante, maar die is net als de vertaling van Eva Raedt de Canter in deze uitgave een beetje belegen.

Dat betekent nog niet dat deze oude verhalenbundel niet te genieten is. Er staan in ieder geval heel wat goede verhalen in, waarvan de vertalingen soms misschien wat verouderd klinken, maar zeker niet zo slecht zijn dat ze het verhaal om zeep helpen. Ik was bijvoorbeeld erg onder de indruk van ‘Adieu’ van Balzac, in een nog heel genietbare vertaling van Bert Japin (de vader van). En natuurlijk van Faulkners ‘Een roos voor Emily’, in een vertaling van Jaap Romijn die ik ook nog best te pruimen vond.


Maar er zitten verhalen bij die ik meteen moedeloos terzijde schoof. Dat gold met name voor het laatste verhaal in de bundel: ‘Griselda’, de allerlaatste vertelling uit Boccaccio’s Decamerone. Eén enkel citaat zegt waarschijnlijk genoeg; de vertaling is van dr. C. Cath van der Graft:
Lang geleden heerste over Saluzzo een markies, Walter genaamd, die afkerig van het huwelijk, zonder vrouw en kinderen onbezorgd leefde en al zijn tijd doorbracht met jagen, waarom hij de naam had van heel verstandig te zijn. Doch dit beviel niet aan zijn onderdanen, die een opvolger wensten en hem daarom meermalen verzochten een vrouw te nemen. Zij boden aan er een voor hem te zoeken, die uit zodanige ouders was geboren, dat hij alle goeds van haar kon verwachten en zeer tevreden met haar zou zijn.
     Hierop antwoordde Walter: „Mijn vrienden, gij dwingt mij tot iets, dat ik besloten was nooit te doen, wel wetend hoe moeilijk het is een vrouw te vinden, die zich aanpast aan de gewoonten van de man, hoe groot de kans is op het tegenovergestelde en hoe hard het leven zal zijn van de man die een vrouw heeft, welke niet bij hem past. En uw geloof dat gij aan de zeden van de vaders en de moeders de dochters zult leren kennen en hierdoor een geschikte vrouw voor mij zult vinden, is dwaasheid, want hoe kunt gij de vaders en de verborgen handelingen der moeders leren kennen? En dan nog, hoe dikwijls zijn de dochters heel anders dan haar ouders! Maar ik wil mij schikken en mij deze ketenen laten aanleggen en, opdat een slechte keus alleen aan mezelf en niet aan anderen zou zijn te wijten, wil ik zelf een vrouw zoeken. Doch ik verzeker u, dat, wie ik ook mag nemen, gij haar als uw meesteres zult eren of gij zult tot uw schade ondervinden, dat gij mij tegen mijn zin een vrouw hebt opgedrongen.”
     De goede lieden zeiden hierop zich te verheugen over het feit, dat hij een vrouw wilde nemen.
Zo’n tekst ontneemt mij alle lust om nog verder te lezen. Zeker als ik dat vergelijk met het voortreffelijke alternatief: de vertaling van Frans Denissen.

Die dateert toch ook alweer van 2003, maar is nog geen greintje verouderd. En ik denk dat heel Nederland zich gelukkig mag prijzen dat we die vertaling nu hebben, want die leest alsof hij nog wel een paar decennia standhoudt:
Vele jaren geleden stond aan het hoofd van het markgraafschap Saluzzo een jongeman, Gualtieri, die kind noch kraai had en de godganse dag met jacht en valkerij doorbracht. Hij dacht er niet aan een levensgezellin te nemen en zich van een nageslacht te verzekeren, wat als een niet gering blijk van wijsheid kan worden beschouwd. Die houding was echter niet naar de zin van zijn onderhorigen, die er herhaaldelijk op aandrongen dat hij zou trouwen, zodat hij niet zonder erfgenaam en zijzelf niet zonder leider zouden blijven. Ze boden zelfs aan voor hem een echtgenote te zoeken wier afkomst borg zou staan voor zijn levensgeluk en voor de kracht van zijn nakomelingschap.
     ‘Vrienden,’ antwoordde de markies, ‘jullie willen me dwingen tot een stap die ik me voorgenomen had nooit te zullen zetten, overwegende hoe aartsmoeilijk het is een zielsverwant te vinden, hoe dikwijls men daarin vervolgens bedrogen uitkomt en hoe onleefbaar het leven voor een man wordt als hij met de verkeerde vrouw in zee gaat. Bovendien is het klinkklare onzin te geloven dat men aan de aard van de ouders het karakter van de dochter kan kennen en dat jullie mij dus een vrouw naar mijn hart kunnen garanderen. Vertel me dan maar eens hoe jullie erachter kunnen komen wie de feitelijke vader is en welke geheimen de moeder verbergt. En zelfs al wisten jullie dat te achterhalen, dan nóg kun je niet ontkennen dat de appel vaak ver van de boom valt. Maar aangezien jullie er blijkbaar zo op gebrand zijn mij deze kluisters aan te leggen, zullen jullie je zin krijgen. Mocht het echter slecht aflopen, dan wil ik me over niemand anders te beklagen hebben dan over mezelf, en daarom wil ik haar zelf kiezen. Knoop dit echter goed in jullie oren: op wie ook mijn keuze valt, als jullie haar niet als jullie meesteres eren, zullen jullie tot je schande moeten ervaren hoe zwaar dit gedwongen huwelijk me op de maag ligt.’
     De brave lieden antwoordden dat het hun allemaal om het even was, als hij maar trouwde.
Commentaar lijkt me overbodig. Deze ene passage zin voor zin vergelijken is een studie in vertalersvakmanschap. Je hoeft de brontekst er niet eens bij te pakken om te zien hoeveel meer moeite door Denissen is gedaan om de tekst te begrijpen en ook begrijpelijk op de lezer over te brengen. Vergelijk alleen al deze twee zinnen:
En uw geloof dat gij aan de zeden van de vaders en de moeders de dochters zult leren kennen en hierdoor een geschikte vrouw voor mij zult vinden, is dwaasheid, want hoe kunt gij de vaders en de verborgen handelingen der moeders leren kennen? 
Bij Denissen:
Bovendien is het klinkklare onzin te geloven dat men aan de aard van de ouders het karakter van de dochter kan kennen en dat jullie mij dus een vrouw naar mijn hart kunnen garanderen. Vertel me dan maar eens hoe jullie erachter kunnen komen wie de feitelijke vader is en welke geheimen de moeder verbergt. 
Het enige wat bij de uitgave van Denissens vertaling ontbreekt, zijn prikkelende plaatjes. Maar die heeft de tekst ook niet echt nodig.

Wel jammer dat het zo’n akelig verhaal is. Zelden heb ik een weerzinwekkender ode aan het ideaal van vrouwelijke deemoed en zelfopoffering gelezen. Maar dat is weer een ander verhaal. Binnen de context van de Decamerone (ik moet toegeven dat ik die nog niet in zijn geheel gelezen heb) valt het ongetwijfeld mooi op zijn plaats.

vrijdag 27 maart 2020

Zich bekennen tot het korte verhaal

Ik grasduin graag in oude, via tweedehandswinkels en websites opgeduikelde bloemlezingen met korte verhalen. Een daarvan is Liefdesverhalen uit de wereldliteratuur, een uitgave van Bruna, fraai uitgevoerd in harde kaft en rijkelijk geïllustreerd. Er staat geen jaartal in het boek, maar het moet in 1953 of 1954 zijn verschenen: in het voorjaar van 1954 verschenen er diverse recensies van deze bundel in de dagbladen.

Het Vrije Volk, 24 juli 1954
bron: Delpher
De omvangrijke bloemlezing is bijeengebracht en vertaald door Clare Lennart, Jaap Romijn en Jacoba van Velde, en de illustraties zijn van Gerard Douwe. Zijn naam, en die van twee van de samenstellers, bleven in Trouw onvermeld toen daar zeven jaar later een signalement verscheen van het eveneens bij Bruna verschenen boekje Liefdesverhalen, waarvan de beschrijving sterk de indruk wekt dat het een kleinere keuze uit bovenstaande bundel betreft:
Een ander charmant Zwart Beertje Is „Liefdesverhalen”, verzameld door Jaap Romijn en voorzien van sierlijke pentekeningen van een onbekende. Het zijn klassieke verhalen: Boceacio, De Balzac, Poe, Hoffmann, Barbey D'Aurevilly, De Maupassant. Stevenson, Tsjechow en Dostojewsky.
Al die auteurs zijn ook in deze bundel vertegenwoordigd – naast nog eenentwintig andere! Een rijke bundel dus, met een genereuze keuze, zoals Alfred Kossman in juli 1954 ook opmerkte in zijn recensie in Het vrije volk:
Men hoeft niet bang te zijn voor 537 bladzijden vol zwijmelende bakvissen en overspelige manspersonen, en men hoeft evenmin bang te zijn voor een volledige catalogus van soorten erotiek, door ervaren auteurs te boek gesteld. De samenstellers zijn met beminnelijke willekeur te werk gegaan en het ontzaglijke, uitvoerige boek bevat dan ook van alles: Een Spaans verhaal[,] een Grieks verhaal, Nederlandse verhalen, moderne Amerikaanse verhalen, Italiaanse verhalen, Russische verhalen, Duitse verhalen.
Naar ons gevoel ontleent het echter niet zijn grootste betekenis aan deze wat toevallige bundeling van losse verhalen, maar aan het feit, dat de samenstellers een aantal complete korte romans of lange novellen hebben opgenomen: „Gigi” van Colette, „Droomnovelle” van Arthur Schnitzler, „Immensee” van Theodor Storm, „Adolphe” van Benjamin Constant en „Dichtertje” van Nescio, waaruit men de schrijvers met een zekere volledigheid kan leren kennen.

Gouden tijd voor het kort verhaal

J.W. Hofstra, die de bundel besprak in Het nieuwsblad voor Sumatra, was in 1954 niet verbaasd over de verschijning van zo’n bundel. Immers:
De liefhebbers van korte verhalen beleven een gouden tijd. In allerlei prijzen, formaten; van allerlei klassen en diepgang komen er bundels aan de markt die anthologieën zijn van het beste wat er op het gebied van de novelle verschenen is. Uit vele tijdschriften worden de beste verhalen bijeengelezen en er schijnen steeds meer mensen te komen die, de tijd missende voor een dikke roman, zich bekennen tot het korte verhaal.
Het korte verhaal, ondergeschoven kind van de hedendaagse literatuur (de nog zo jonge Biesheuvelprijs werd dit jaar al niet uitgereikt en lijkt ten dode opgeschreven), was dus nog populair in de jaren vijftig (en waarschijnlijk ook zestig). Vandaar dat ik tweedehands zoveel interessante bloemlezingen uit die periode tegenkom.

het begin van de Pirandello-vertaling
van dr. C. Cath. van der Graft

Hofstra’s recensie blinkt overigens niet uit door helderheid. Zijn samenvatting van het verschil tussen novelle, kort verhaal en ‘schets’ is warrig. En zijn alinea over Colette’s Gigi lijkt te beginnen met kritiek op de vertaling, maar mondt uit in een pleidooi om Colette vooral niet in het Frans te lezen:
Gans anders natuurlijk is de geest en de sfeer van Colette’s „Gigi”. In deze vertaling blijft wat veel weg van de typische woordschikking die het proza van de beroemde schrijfster voor sommigen zo te waarderen maakt. Wat mij betreft: als ik moest kiezen, lees ik het liever in het Nederlands. De stijl van Colette heeft voor mij altijd onoverkomelijke bezwaren opgeleverd, hoezeer ik haar als verhalenvindster ook kan bewonderen.
Van goede smaak getuigt zijn lof voor een ander verhaal:
Een van de novellen die het aangrijpendst zijn vind ik „Het Licht van het andere Huis” door Luigi Pirandello. Heel de eigenaardige sfeer van de meester vindt men in dit korte verhaal weer, dat het heimwee schildert van een vrouw die om een minnaar haar man en kinderen verlaat en later in een huis aan de overkant op een afstand het leven van de verlatenen volgt.
Dat heeft ook op A.L Snijders veel indruk gemaakt, want vele jaren later schreef hij een stukje over zijn herinnering aan dat verhaal (opgenomen in Ik leef aan de rand van de wereld):



(Klik hier als de embedded versie van Google Books geblokkeerd wordt.)

Leesbare producten?

Maar ik begin ernstig te twijfelen aan Hofstra’s smaak wanneer ik lees dat ‘Henry James is vertegenwoordigd met een van zijn meest leesbare producten’! Hoezo ‘meest leesbare’? Heeft De Meester ooit iets onleesbaars geschreven? (Nu niet allemaal ja roepen. Onvertaalbaar misschien, maar dat is wat anders.)

Het vervolg van Hofstra’s recensie verklaart echter alles, want daarin schrijft hij dat
Hugh Walpole, die tegenwoordig „en décadence ” is wat de universele appreciatie betreft, met „Harteloos” zijn uitnemend vakmanschap eens te meer bewijst.
Wie kent die ‘vakman’ nog, wie weet tegenwoordig nog wie Hugh Walpole is? Ik bedoel maar.

begin van het leesbare product,
vertaling van A.A.M. Horsting-Boerma

Nu kende ik zijn naam toevallig wel, want die kom je tegen in biografieën van Henry James en andere tijdgenoten. Het beeld dat daarbij voor mij steevast oprijst, is dat van een auteur wiens werk de tand des tijds niet heeft doorstaan, en die vooral een bedreven netwerker, een slordige schrijver en een onverbeterlijke roddelaar was. Deze bloemlezing, en een bij Spectrum verschenen omnibus waarover ik al eerder heb geschreven, boden me de kans om ook eens wat van zijn literaire werk te proeven: beide bevatten een verhaal van Walpole in vertaling. Zijn ze goed? Wekken ze de indruk dat het de moeite waard is om zijn oeuvre te verkennen op verborgen schatten, op zoek naar de heilige graal van uitgeversland: een (liefst  rechtenvrij!) meesterwerk van een Vergeten Auteur?

Mijn advies: bespaar je de moeite. Ik heb zelden zulk slap geouwehoer gelezen. Dat verhaal ‘Harteloos’ was nog niet geschikt voor de Libelle. Het leukste aan het hele verhaal is de illustratie. Als dit ‘uitnemend vakmanschap’ is, dan is Nel Benschop Neerlands grootste dichter.

begin van het zeikverhaal van Hugh Walpole,
vertaling Jacoba van Velde

Niet alleen vertalingen kunnen dus verouderen, ook een literaire smaak kan enkele decennia later hopeloos verouderd aandoen.

(De mijne natuurlijk niet.)

Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: