Zoeken in deze blog

maandag 8 juli 2019

De heldendaden van Brigadier Gerard

Hier is een nieuw gratis e-boekje. De downloadlinks staan onder aan dit bericht.


Op 3 augustus 1895 werd in Het nieuws van den dag de verschijning van De heldendaden van brigadier Gerard  als volgt aangekondigd:
A. Conan Doyle. De heldendaden van brigadier Gerard. Naar het Eng. door J. van Witzenburg. 1e afl. (compleet in 6 afl. 8° van 2 vel, met vele illustr.) Amsterdam, Wilms en Co.
De eerste Nederlandse boekuitgave van Arthur Conan Doyle’s verhalen over deze huzaar in dienst van Napoleon verscheen dus in afleveringen. Dat was in de negentiende eeuw blijkbaar niet ongebruikelijk, getuige bijvoorbeeld deze uitgeversannonce uit 1879 in het Nieuwsblad voor den boekhandel, over het retourneren van onverkochte boeken:
Wij verzoeken dringend de Emballage-Cartons per le couvert terug te zenden, daar wij die voor de verpakking van Afl. 2 noodig hebben. Tevens gelieve men ons geen Ex. in Afleveringen terug te zenden, met verzoek die te bewaren tot dat het werk compleet is, en dan gebonden te retourneeren, om reden wij ons niet met het binden kunnen belasten. Zoodra mogelijk zullen wij een boekbinderij aanwijzen, waar de Ex. tegen vasten prijs in den band kunnen worden gezet.
Nu zou publicatie in dit geval ook niet anders dan in afleveringen hebben gekund: het laatste van de zeven verhalen in deze Nederlandse boekuitgave zou in Engeland pas in december 1895 in een tijdschrift verschijnen. En de Engelse boekuitgave (die overigens acht verhalen telde) verscheen pas in februari 1896, toen de laatste Nederlandse afleveringen nog moesten verschijnen.

Aflevering 4 en 5 werden in Algemeen Handelsblad op 5 maart 1896 als volgt omschreven:
Nieuwe uitgaven. Van De Heldendaden van Brigadier Gerard, naar het Engelsch van A. Conan Doyle door J. van Witzenburg is bij de uitgevers Wilms & Co. alhier aflevering 4/5 verschenen, waarmede het boek compleet is. Het is, zooals wij verwacht hadden, een boeiend avontuurlijk boek gebleven, dat ook nog al aardig geïllustreerd is.


Van dat boeiend avontuurlijke boek bied ik hier de gedigitaliseerde versie aan. Omwille van de bestandsomvang heb ik de nogal aardige illustraties uit het e-boek weggelaten; een kleine keuze daaruit is opgenomen in dit blogbericht en mijn eerdere bericht over deze vertaling. Wie alle illustraties wil bekijken, kan een fraaie scan van de eerste Engelse uitgave vinden op archive.org, en ze staan ook op een aan Conan Doyle gewijde site.

Wie was Van Witzenburg?

Gezien de publicatiedatum leek het me waarschijnlijk dat op deze tekst geen auteursrecht meer rust, maar absolute zekerheid daarover had ik niet meteen. Toen ik dit e-boek ook via Amazon probeerde aan te bieden, werd ik echter gedwongen me er wat verder in te verdiepen: Amazon wilde per se een sterfdatum hebben. Het bleek nog lastig om er vanuit mijn leunstoel achter te komen wie deze Van Witzenburg was, laat staan wanneer hij is gestorven: op internet is weinig over hem te vinden. In de online catalogus van de Koninklijke Bibliotheek komt zijn naam helemaal niet voor. (Wat dus ook kan betekenen dat deze vertaling en enkele hieronder nog genoemde vertalingen daar niet te vinden zijn – en misschien wel nergens!)

Wel is op internet te zien dat J. van Witzenburg in dezelfde periode meer vertalingen heeft gemaakt, bijvoorbeeld van Edouard Simons biografie van Frederik III van Pruisen, die in 1888 in de Groene Amsterdammer werd gerecenseerd. Op DBNL vind ik verder een verwijzing naar een in 1898 verschenen vertaling van Het Christus-visioen. Roman van het einde der eeuw van Max Kretser.



Blijkbaar vertaalde Van Witzenburg dus uit het Frans, het Duits én het Engels. De laatstgenoemde roman verscheen net als de Brigadier Gerard-vertaling bij de Amsterdamse uitgever Wilms & Co, evenals enkele andere titels die op Van Witzenburgs naam staan in ‘Brinkman’s catalogus van Boeken, Plaat- en Kaartwerken die sedert 1891 tot en met 1900 zijn verschenen of herdrukt’. Volgens dat register (te raadplegen op DBNL) verschenen er bij Wilms & Co. van zijn hand vertalingen van De refugié’s. Een verhaal uit twee werelden (1893) van Arthur Conan Doyle en Uit de herinneringen van een geneesheer (1896) van L. T. Meade, en bij de Utrechtse uitgever Honing De geschiedenis van een verloren Napoleon (1896) van Gilbert Parker

Tot slot wordt daar zijn vertaling vermeld van Het koninkrijk Gods is binnen in u van Tolstoj (gemaakt naar de Franse vertaling). Die titel biedt een verder aanknopingspunt om zijn identiteit te achterhalen. In een op internet beschikbare doctoraalscriptie over Nederlandse christen-anarchisten van Herman André de Raaij uit 1989 staat in de bibliografie bij deze titel namelijk: ‘Naar de oorspronkelijke uitgave bewerkt door J. van Witzenburg, predikant te Zaandam.’ (Mijn nadruk.)


Dan is het vast ook geen toeval dat een van de weinige Google-treffers op de naam ‘J. van Witzenburg’ een krantenbericht in Het Geheugen van Nederland is over een dominee Van Witzenburg te Zaandam die daar in 1906 zijn vijftigjarig jubileum als predikant vierde. 

Is dit hem dan?
bron: Geheugen van Nederland
Als dit de vertaler is, en dat moet toch haast wel, dan zou het fysiek schier onmogelijk zijn dat op deze tekst nog auteursrecht rust. (Voor wie het niet weet: de grens is 70 jaar na het overlijden van de rechthebbende; dus alleen als de vertaler pas na 1949 is overleden, kan op een vertaling nog auteursrecht rusten.)

Maar omdat Amazon er zo over doorzeurde (zelfs gezeur kan zo soms nut hebben), heb ik toch nog wat verder gezocht, en uiteindelijk een aannemelijke sterfdatum gevonden in De Waarheidsvriend (‘het officiële orgaan van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland’), digitaal beschikbaar via Digibron:
“— In 1919 zijn overleden de volgende predikanten der N. H. Kerk:
[...] Ds. J. van Witzenburg Azn., em. pred. te Zaandam.”
Een geboortedatum heb ik nog niet. Maar die moet, gezien dat jubileum (op welke leeftijd begon je destijds als predikant?) in de jaren dertig van de negentiende eeuw hebben gelegen.

Download

De heldendaden van Brigadier Gerard is hier te downloaden als Word-bestand. Het is ook (gratis!) als epub te downloaden bij Kobo en Bol.com, en als Kindle-bestand bij Amazon (voor 1 euro, omdat Amazon mij niet toestaat boeken via hun platform gratis aan te bieden).

Voor een download van één verhaal in een andere 19de-eeuwse vertaling: klik hier.
Voor een ander Gerard-verhaal in een vertaling van mijzelf: klik hier.

zaterdag 6 juli 2019

De zak, de zak!

‘De zak, de zak... de zakflacon!’ Geen gevleugelde woorden misschien, maar toch een frase die zich onwrikbaar in mijn hoofd heeft vastgezet, en daar om een of andere reden altijd de intonatie krijgt van ‘the blimp, the blimp’ uit dat liedje van Captain Beefheart.
It’s the blimp, it’s the blimp, Frank
It’s the blimp
Als je dat nog een liedje kunt noemen. (Klik hier en oordeel zelf.)

Die puur particuliere associatie met Beefheart kan ik niet verklaren. Maar dat ‘de zak, de zak’ voor mij zo’n begrip is geworden, komt natuurlijk doordat het afkomstig is uit een van de allereerste Asterix-albums die ik bezat. Dat moet ik honderden keren hebben gelezen.


Ik moest er dan ook onmiddellijk aan denken toen ik in een ondertitel iemand zag zeggen: ‘Dan ben je de zak.’ Het was in een aflevering van de (verder overigens goed vertaalde) Netflix-serie Jessica Jones, en het moest duidelijk een variant voorstellen op ‘je bent de lul/pineut/pisang/sigaar/sjaak’ en vul verder maar in. Een variant die volgens mij volstrekt niet gangbaar is — en daarmee een ongelukkige vertaalkeuze.

Ook de zakflacon bij Asterix is trouwens een opvallende vertaalkeuze. Je ziet aan de Nederlandse tekst al meteen: hier heeft een vertaler zich in bochten gewrongen om een Franse grap weer te geven.

Asterix in Hispania

Als kind begreep ik wel dat de Romeinse officier dacht dat hij voor zak werd uitgemaakt. Maar misschien voelde ik ook al aan dat het een beetje vergezocht was. Waarom werd Asterix’ flesje met toverdrank hier ineens een flacon genoemd — een woord waarvan ik natuurlijk nog nooit had gehoord?

Maar dat het een vertaalprobleem betrof, besefte ik toen niet. Dat Asterix überhaupt vertaald wás, besefte ik toen niet. En ach, strips van Nederlande bodem konden grappen bevatten die nog veel flauwer waren. Je was wel wat gewend, dan viel dit nog mee.

Toch lijkt de Engelse vertaling me beter geslaagd (een dope is ook een uilskuiken):

Asterix in Spain (wat een saaie anachronistische titel eigenlijk!)

Het is een bekend gegeven dat in de oude Nederlandse Asterix-vertalingen minder woordspelingen behouden zijn gebleven dan in de Engelse (waarin soms zelfs woordspelingen werden toegevoegd). Dat blijkt al meteen weer op de volgende bladzijde van dit album. Daar krijgt de Romeinse officier een naam: Namaspamus, een woordspeling op n’amasse pas mousse — zoals een rolling stone, weet je wel?

Deze centurion, die zich gehoorzaam door zijn meerdere op de bek laat slaan om de kracht van Asterix’ toverdrank te testen, krijgt in het Engels een nog veel toepasselijker naam:


Maar in de Nederlandse vertaling is hij naamloos gebleven:


Vandaar dat de Asterix-albums nu hertaald worden: verbeterde formule, met nog meer woordspelingen!

Ik ben benieuwd of het voor mij onsterfelijke ‘de zak, de zak...flacon’ daarbij zal sneuvelen. Van mij mag het blijven staan.

Ik vraag me bovendien af of het Franse origineel eigenlijk wel zo geslaagd is.

Astérix en Hispanie

Volgens mijn woordenboek is een gourde behalve een veldfles ook een tuthola. Nadrukkelijk vrouwelijk dus. Zou zo’n legionair zich daardoor aangesproken voelen? Of was dat ook een beetje vergezocht van Goscinny?

En wat de Nederlandse vertaling betreft, daarvoor greep de Asterix-vertaler terug op een oeroude comedy-techniek: misverstanden als gevolg van gehakkel en gestotter.

Zoiets werkt op papier natuurlijk altijd minder goed dan op het podium. Maar werd de Nederlandse grap soms ook ingegeven door een van Nederlands bekendste podiumbeesten? Want die naamloze centurion — herkennen we daarin niet het portret van een beroemde Nederlandse artiest?


Kleur dat haar een beetje roder, dan is dit toch onmiskenbaar die beroemde komiek die zijn carrière ooit begon met een bluesnummer over... een stotteraar? (Klik hier – doen!)

Dat k-kan niet anders, dat z-ziet de geh-grootste z-z-zak.

vrijdag 5 juli 2019

Heer of koning?

„Ik streek over haar dik bruin haar, en fluisterde haar de troostwoorden, welke ik maar bedenken kon, in het oor, met mijn eenen arm om haar middel, het is waar, doch dat was alleen om haar vast te houden, uit vrees dat zij flauw zou vallen.”

Nee, dit gaat niet over het WK. Dit is de heldhaftige Brigadier Gerard in actie in de eerste Nederlandse vertaling van zijn avonturen. Arthur Conan Doyle was in die jaren blijkbaar zo populair dat hij meteen moest worden vertaald: de zeven verhalen over de dappere huzaar die in 1895 in The Strand verschenen, werden in Nederland al in vertaling gebundeld en in zes afleveringen in boekvorm uitgebracht voordat de Engelse publicatiereeks ten einde was: het laatste verhaal verscheen pas in december 1895 in The Strand, terwijl de eerste Nederlandse aflevering van de vertaling al in augustus 1895 uitkwam. Die vertaling, van J. van Witzenburg, verscheen dus in losse katernen die de koper zelf kon laten inbinden, zoals destijds gebruikelijk.

Pas in februari 1896, toen de laatste afleveringen van de Nederlandse vertaling op verschijnen stonden, werden deze zeven verhalen, samen met een eerder verhaal, ook in Engeland in boekvorm uitgebracht als The Exploits of Brigadier Gerard. Ongeveer een half jaar later verscheen daarvan een tweede Nederlandse vertaling, ditmaal gebaseerd op die boekuitgave. Die tweede vertaling verscheen van 27 oktober tot 2 november 1896 in de Leeuwarder courant. Of ze ook in boekvorm is verschenen, weet ik niet.

Van de vertaling van Van Witzenburg bezit ik een exemplaar dat ik heb ingescand en waarvan ik de hele tekst hier binnenkort ter download zal aanbieden. De anonieme vertaling in de Leeuwarder courant is beschikbaar op Delpher; onderaan dit bericht staan de relevante links.


Van één verhaal uit die anonieme vertaling heb ik de Delpher-tekst opgeschoond. Die bied ik hier samen met Van Witzenburgs vertaling van hetzelfde verhaal als download aan; de links staan onderaan dit bericht. Het gaat om het tweede verhaal dat Doyle over Étienne Gérard schreef, ‘How the Brigadier Held the King’. Dat is het eerste verhaal in de bundel van Van Witzenburg, die het eerste verhaal oversloeg en de volgorde van de Engelse tijdschriftpublicaties volgt; het vormt het derde verhaal in de anonieme krantenvertaling, die de volgorde van de Engelse boekuitgave volgt.

Spoiler alert

De titel illustreert meteen waarom ik op de gedachte kwam juist van dit verhaal de twee vertalingen naast elkaar te leggen: bij Witzenburg heet dit verhaal ‘De brigadier heeft den koning’, in de Leeuwarder courant ‘Hoe de brigadier den heer in handen had’. Dit vergt wat uitleg — die, wees gewaarschuwd, onvermijdelijk het ‘verrassende’ slot van het verhaal zal verklappen.

De vertalers zaten opgescheept met een onmogelijke woordspeling. Aan het eind van het verhaal zit Gerard een potje te kaarten met een Engelse officier die hem gevangen heeft genomen. Omdat de Engelsman zijn manschappen kwijt is, heeft Gerard gedreigd te ontsnappen. In plaats van daarom te vechten, besluiten ze erom te kaarten. Ze kunnen het namelijk wel goed vinden, en zouden elkaar liever niet de hersens inslaan. Gerard staat op het punt om te winnen, want hij heeft de heer in handen:
In the second [game], I never played better and saved a trick by a finesse, but the Bart voled me once, marked the king, and ran out in the second hand.
Die king komt later in de tekst terug in zijn letterlijke betekenis van vorst. Van Witzenburg houdt daar rekening mee en houdt het hier dus op ‘koning’, met tussen haakjes een verklaring erbij:
Met de tweede partij speelde ik beter dan ooit en haalde een trek door een’ handigheid, maar de Baronet maakte eens een’ vole, annonceerde den koning (heer) en kwam uit achter de hand.
In een kaartspel spreken wij in het Nederlands normaliter niet over de koning. In de versie in de Leeuwarder courant valt dan ook simpelweg te lezen:
Ik heb nooit beter gespeeld dan met het tweede spel en behaalde één trek door een fijnen zet, maar de Bart maakte daarop alle slagen en riep den heer uit.


Dan verschijnen ineens de superieuren van de Engelse officier ten tonele. Zijn generaal is boos dat hij met een Fransman zit te kaarten. Gerard legt uit hoe dat komt en hoopt zo alsnog aan krijgsgevangenschap te ontkomen:
‘See, my lord!’ I cried; ‘I played for my freedom and I won, for, as you perceive, I hold the king.’
  For the first time a slight smile softened his gaunt face.
    ‘On the contrary,’ said he, as he mounted his horse, ‘it is I who won, for, as you perceive, my King holds you.’
Door het woord koning te handhaven, kan Van Witzenburg dit nu vrij natuurlijk vertalen:
„Zie, my Lord!” schreeuwde ik; „Ik speelde voor mijn’ vrijheid en ik won, want, zooals gij bespeurt, ik heb den koning.”
Voor de eerste maal verzacht[t]e een flauw glimlach zijn mager gelaat.
„Integendeel,” zeide hij, zijn paard bestijgende, „ik won, want, zooals gij bespeurt, mijn koning heeft u.”
De anonieme krantenvertaler trekt zich er niets van aan en houdt vast aan zijn heer. Maar hij voelt blijkbaar ook aan dat hier iets wringt, dat ‘heer’ in deze passage onduidelijk is. Dus zet hij dat tussen aanhalingstekens en voegt er (hier vetgedrukt) een verklarend zinnetje aan toe, waarbij onduidelijk is wie dat nu eigenlijk uitspreekt:
„Zie, milord!” riep ik. „Ik speelde voor mijne vrijheid en ik won, want, zooals gij ziet, heb ik den heer in handen.”
Voor het eerst verhelderde een flauwe glimlach zijn mager gelaat.
„Integendeel,” zeide hij, terwijl hij zijn paard besteeg, „ik ben het, die won, want, zooals gij bemerkt, houdt „mijn heer” u in handen.”
„Gij zijt mijn gevangene in naam van den beheerscher van het Vereenigd Koninkrijk.”
Van dit verhaal is later overigens nog een andere vertaling verschenen in Verhalen uit de tijd van Napoleon, een bundeling van vijf van de Gerard-verhalen (Contact, 1970). Daarin hanteert vertaler Johan Fredrik dezelfde strategie als Van Witzenburg: hij vertaalt king gewoon als koning, maar zonder daarbij tussen haakjes de verklaring ‘heer’ toe te voegen. Hij gaat er dus maar vanuit (waarschijnlijk terecht) dat de lezer wel zal begrijpen wat er wordt bedoeld. Maar het blijft een beetje wringen.

Aan je trekken komen

Ik heb me nu geconcentreerd op die koning, maar ook de rest van de hierboven geciteerde zin over het kaartspel is geen sinecure. Alleen al de enorme verschillen tussen beide vertalingen tonen aan hoe verrekte lastig het kan zijn om zoiets als een terloops beschreven potje kaarten te vertalen. Bij Fredrik luidt die zin ook weer heel anders:
In het tweede speelde ik beter dan ik ooit heb gedaan en spaarde door een list trick uit, maar de Bart maakte eenmaal een vole, draaide de koning en speelde in de tweede slag uit.
Als vertaler zit je bij zulke passages vaak eindeloos uit te zoeken hoe het precies moet. Je wil geen fout maken, je voelt je verplicht om er achter te komen welk spel hier precies wordt gespeeld, hoe de regels daarvan luiden en welke termen daarbij worden gebruikt. Terwijl ik als gewone lezer bij zo’n passage eerlijk gezegd al snel denk: gooi maar in mijn pet. Of je nou schrijft dat je ‘trick uitspaart’ of ‘een trek haalt’, it’s all Greek to me. Ze zitten te kaarten, die heer of koning is duidelijk een winnende kaart... that’s all I know on earth, and all I need to know. Maar de vertaler, hij zwoegt voort.

De Bart, de Bart!

Tot slot nog één ander opvallend verschil in deze passages: the Bart, die bij Van Witzenburg ‘de Baronet’ wordt genoemd en in de andere vertalingen ‘de Bart’. Dat betreft een grap die bij Van Witzenburg verloren gaat. Brigadier Gerard meent dat hij veel beter Engels spreekt dan zijn mede-officieren in het Franse leger. Doyle haalt hem subtiel onderuit door hem te laten denken dat Bart, de louter schriftelijk gebruikte afkorting voor baronet, de aanduiding is waarmee zo’n baronet ook moet worden aangesproken. Die grap is door Van Witzenburg blijkbaar niet opgepikt. Dat strookt wel met de rest van zijn vertaling, waarvan de toon om de een of andere reden een stuk minder grappig is dan die van het origineel.


Snouwende medgezellen

Ik ga de verdere verschillen tussen beide vertalingen niet in detail opsommen. De geïnteresseerde lezer kan de teksten zelf gemakkelijk vergelijken.

In het algemeen valt op te merken dat je bij Van Witzenburg eigenaardigheden in de spelling tegenkomt die zeker niet algemeen waren in de negentiende eeuw, maar blijkbaar toch niet als fout werden ervaren door de uitgever. Dat kruid en kruit destijds door elkaar werden gebruikt, was mij wel bekend. Maar Van Witzenburg heeft bijvoorbeeld ook een sterke voorkeur voor ou boven au (klouterde, snouw, rouw vleesch) en schrijft consequent ‘medgezellen’. En ook ten aanzien van woordgeslachten is hij niet altijd erg kieskeurig:
Maar nauwelijks waren wij op de keien gekomen, of mijn’ merrie verloor één van zijne hoefijzers, en ik moest haar naar den hoefsmid van het dorp leiden.
Verder viel mij in een van de andere verhalen op dat het woord trainer (in de zin van sportcoach) blijkbaar al een ingeburgerd Nederlands begrip was. Op de site van etymologiebank is niet zoveel informatie te vinden over wanneer trainer en training in het Nederlands zijn geïntroduceerd. Maar in Delpher vind je het al in Nederlandse kranten vanaf halverwege de negentiende eeuw.

Tot slot: deze vertalingen zijn bepaald niet vlekkeloos, er zijn aardig wat slordigheden en fouten in aan te wijzen. En hoewel de anonieme krantenvertaler in theorie veel meer tijd heeft gehad om over de tekst na te denken dan Van Witzenburg, die immers al aan het vertalen sloeg toen de verhalen nog niet eens allemaal waren verschenen, heb ik toch de indruk dat de vertaling van Van Witzenburg iets verzorgder is dan die in de Leeuwarder courant. Hij lijkt de tekst zorgvuldiger te hebben gelezen en vaak beter te hebben begrepen dan de krantenvertaler. Dat de door Van Witzenburg gemiste grap over ‘the Bart’ in het feuilleton wel wordt overgenomen, is dan misschien meer geluk dan wijsheid, een kwestie van slaafse navolging van de brontekst zonder er verder over na te denken. Dat kan ook weleens goed uitpakken.

Download

Verder mag iedereen de verschillen tussen de vertalingen zelf onderzoeken aan de hand van de download: de vertalingen staan hier als Word-bestand en als epub. De Engelse tekst staat onder meer hier (tijdschriftversie) en hier (boekversie).

Binnenkort zal ik hier nog iets meer schrijven over Van Witzenburg en zijn vertaling, waarvan ik dan de volledige tekst ook ter download aanbied. [Dat bericht staat inmiddels online: klik hier.]

Dit zijn de relevante Delpher-links naar het bijna complete feuilleton in de Leeuwarder courant:
Aflevering 1
Aflevering 2
Aflevering 3
Aflevering 4
Aflevering 5
Aflevering 6
Aflevering 7
Aflevering 8
Aflevering 9 (hiervan ontbreekt het begin)
Aflevering 10
Aflevering 11
Aflevering 12
Aflevering 13
Aflevering 14
Aflevering 15
Aflevering 16
Aflevering 17
Aflevering 18
Aflevering 19
Aflevering 20
Aflevering 21
Aflevering 22
Aflevering 23
Aflevering 24
Aflevering 25
Aflevering 26
Aflevering 27
Aflevering 28
Aflevering 29
Aflevering 30
Aflevering 31
Aflevering 32
Aflevering 33
Aflevering 34
Aflevering 35
Aflevering 36
Aflevering 37
Aflevering 38
Aflevering 39
Aflevering 40
Aflevering 41
Aflevering 42
Aflevering 43
Aflevering 44

woensdag 3 juli 2019

Christus als hovenier

De Laurens Jz. Coster-mailinglijst heeft deze week als thema ‘het beschreven schilderij’. Gisteren was de beurt aan het gedicht ‘Christus als hovenier’ van Ida Gerhardt, over een schilderij van Rembrandt waarop de ontmoeting tussen de herrezen Jezus en Maria Magdelena is verbeeld. (Voor meer informatie over dat schilderij: klik hier.)

Rembrandt: De opgestane Christus verschijnt aan Maria Magdalena
(afbeelding afkomstig van dit blog)

Ik moest onmiddellijk denken aan Kiplings verhaal ‘De hovenier’, waarvan ik hier in februari een vertaling online heb gezet en waarin Christus als hovenier ook een grote rol speelt. De slotzin van het verhaal verwijst naar dezelfde Bijbeltekst die Gerhardt als motto bij haar gedicht plaatst, Johannes 20:15: ‘zij dacht dat het de hovenier was’. En Kipling plaatste als motto bij zijn verhaal enkele regels uit zijn gedicht ‘The Burden’, dat eveneens over de ontmoeting tussen Jezus en Maria Magdalena gaat. In Credits and Debits, de bundel waarin dit verhaal oorspronkelijk verscheen, wordt na het verhaal ook nog het hele gedicht afgedrukt. (Kipling wisselde in zijn verhalenbundels proza vaak af met gedichten; daarbij valt niet altijd veel verband tussen de verschillende teksten te bespeuren, maar soms dus wel.)

Spoiler alert

Ik heb aan de reacties van enkele lezers al gemerkt dat dit verhaal niet door iedereen op dezelfde manier wordt gelezen, en dat de christelijke verwijzingen niet altijd worden herkend. Daarom geef ik hier een korte, misschien wat schoolse versie van mijn interpretatie. Daarbij moet ik onvermijdelijk iets van de inhoud verklappen. Spoiler alert dus: stop met lezen als je Kiplings verhaal nog niet kent. Lees eerst dat verhaal, bij voorkeur twee keer. Je kunt het hier downloaden: de vertaling (voor deze gelegenheid licht herzien) als epub, Kindle-bestand of Word-bestand; de Engelse tekst als Word-bestand.

De hovenier

Kiplings verhaal heeft geen verrassingsplot in de trant van O’Henry of Roald Dahl, maar bevat aan het eind toch een soort onthulling die al het voorgaande in een ander licht zet. Die onthulling hoeft niet per se te verrassen, maar geeft het hele verhaal wel betekenis.

Om dat verhaal kort samen te vatten: de vrijgezelle Helen heeft een broer gehad die niet wilde deugen en in India is overleden, kort nadat hij daar een kind had verwekt. Helen heeft zich ontfermd over deze jongen, Michael, en voedt hem in haar eentje op. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit: Michael komt onder de wapenen en sneuvelt. Als Helen na de oorlog in België de begraafplaats bezoekt waar Michael begraven ligt, kan ze tussen de onafzienbare rijen kruisen zijn graf niet vinden. Een toevallig aanwezige hovenier vraagt haar wie ze zoekt en zegt dan: ‘Komt u maar mee, dan wijs ik u waar uw zoon ligt.’

Michael was dus niet haar neef, maar haar eigen zoon, die ze voor haar neef liet doorgaan om de schandvlek van zijn buitenechtelijke ontvangenis te ontlopen. Net als de buren in haar dorp zijn wij lezers door Helen (en de verteller) om de tuin geleid.

bron

Maar wat mij zo klaar als een klontje lijkt, blijkt niet iedereen meteen zo op te vatten. Naast deze lezing ben ik al minstens twee andere reacties tegengekomen. Simpel samengevat:
1) Dat is gewoon een foutje van die tuinier. Die neemt automatisch aan dat zij wel de moeder van de overledene zal zijn.
2) Misschien is Michael inderdaad haar kind. Maar je weet het niet zeker. En die tuinier als een soort Christusfiguur die alles begrijpt en alles goedmaakt? Dat is wel een heel weeë christelijke moraal. Alsof dat troost kan bieden voor de gruwel van de loopgraven... Nee, het is hooguit een productieve ambiguïteit, een extra mogelijkheid.
Daartegenover dus de derde en in mijn ogen enige logische lezing: Michael is de zoon van Helen. Zij heeft dat haar hele leven verborgen moeten houden voor iedereen, inclusief haar zoon zelf. Alleen als je het verhaal zo leest, vallen volgens mij alle stukjes op hun plek.

Lezing 1 vind ik te triviaal. Als de tuinier zich simpelweg vergist, heeft het verder niets te betekenen. Waarom heeft Kipling die vergissing er dan in geschreven? Het is overbodig, en ook de rest van het verhaal boet dan enorm aan betekenis in. Juist de dubbele bodem geeft alle scènes in het verhaal zoveel kracht.

Lezing 2 klopt in zoverre, dat verder nergens in het verhaal expliciet wordt gezegd dat Michael het kind van Helen is. Je moet dat tussen de regels door lezen. Maar volgens mij dringt het zich onontkoombaar op, zeker als je het verhaal voor de tweede keer leest. Dan zie je ineens hoe de woorden van de verteller steeds voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn: die ‘ziekte’ waarvoor Helen in Zuid-Europa verbleef, was natuurlijk haar zwangerschap. De voedster is natuurlijk niet ‘ontslagen’ wegens incompetentie, die heeft nooit bestaan. Enzovoort.

Maar zodra het bloedbad van de Eerste Wereldoorlog eenmaal om de hoek komt kijken, dreigt dit negentiende-eeuwse plot van verzwegen zwangerschappen en ondergeschoven kinderen dan niet een tikje triviaal te worden? Een ouderwets melodrama over een puriteinse vooroorlogse samenleving waaraan de hedendaagse lezer geen boodschap meer heeft?

U kunt niet weten wat dat betekent

Ik denk van niet, ik zie het eerder andersom. Het leed van de Eerste Wereldoorlog zelf is te groot om er veel zinnigs over te kunnen zeggen. Dat zal zeker voor Kipling hebben gegolden, die geen tegenstander van de oorlog was, maar er wel zijn zoon aan had verloren. Over dat verlies heeft hij bij mijn weten geen verhaal geschreven, maar ik lees ‘De hovenier’ toch een beetje als zijn indirecte verwerking van dat verdriet. Hij speelt het via de band — maar het komt daarom niet minder hard aan.

Via de band spelen doet hij ook steeds binnen het verhaal. Helens eigenlijke leed, het feit dat ze haar moederschap moest verzwijgen, wordt nergens benoemd, maar continu voelbaar gemaakt. Bijvoorbeeld doordat haar zoontje haar alleen ‘mama’ mag noemen als er niemand bij is, als een ‘geheim koosnaampje’.

Haar verdriet wordt gespiegeld in het lot van andere nabestaanden die ze in België ontmoet. De vrouw uit een arbeidersmilieu die haar zoon niet kan vinden, omdat hij dienst had genomen onder een valse naam. (In arbeidersmilieus werd schijnbaar neergekeken op mannen die in dienst gingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit andere verhalen van Kipling, en uit sommige gedichten van Thomas Hardy.) De vrouw die het verdriet om haar gesneuvelde geliefde niet mag tonen, omdat hij getrouwd was met een ander. (‘U kunt niet weten wat dat betekent,’ zegt ze nota bene tegen Helen!) Het verdriet van deze vrouwen wordt juist wel breed uitgemeten en getoond, en weerspiegelt zo het onbenoemde verdriet dat ook Helen moet verscheuren.


Juist daarom acht ik dit zo’n geslaagd verhaal. Het gaat over een echt en universeel herkenbaar verdriet: het dubbele verlies van een kind, gesneuveld in de oorlog, maar bij de geboorte bovendien al opgeofferd aan een bekrompen burgermansmoraal. Dat verdriet wordt nergens benoemd, maar alleen uitgebeeld, in de scènes met de andere vrouwen en de ruzies met haar zoon over woorden die taboe zijn (‘mama’, ‘bastaard’). Dat vind ik ontroerend.


En ik hoef niet gelovig te zijn om het troostende en intens christelijke beeld van die tuinman aan het eind van het verhaal heel ontroerend te vinden. Dat komt misschien doordat Kipling die Christusfiguur gebruikt om zijn verrassingsplot af te ronden: de hovenier ‘onthult’ het geheim van de plot. Daarmee wordt het hele verhaal zowel verteltechnisch als emotioneel in één keer volmaakt afgerond; vorm en inhoud vallen samen.

Als hij zegt dat hij haar het graf van haar zoon zal wijzen, zegt hij in wezen natuurlijk: ik ken je verdriet, ik weet hoe groot het is. Meteen dringt dat in zijn volle omvang dan ook tot ons door. Het is gezien. Maar alleen door hem (of moet ik schrijven: door Hem?).

Dat ontroert, ook als je zelf niet genegen bent om Hij met een hoofdletter te schrijven.

maandag 17 juni 2019

Van Biedermeier naar Bourgeois

Heb ik net wat berichten geplaatst over de griezelroman De zwarte spin van Jeremias Gotthelf, die ik in zijn verdere werk nogal een brave burgerlijke biedermeierschrijver vind. Zie ik in de tuin van het Rijksmuseum ineens een paar gigantische zwarte spinnen staan.


Van Louise Bourgeois, aan wie het museum in de tuin een tentoonstelling heeft gewijd. Haar naam kende ik wel, die spinnen nog niet.


Uniek zijn ze trouwens niet, zelfs niet qua omvang: Bourgeois heeft er meer gemaakt, en ook wel grotere:

‘Maman’ in Canada
bron: Wikipedia

zaterdag 15 juni 2019

Orgiën! Orgiën! Wij willen orgiën!

Ineens wist ik weer waar de voorpagina van NRC me dinsdag aan deed denken.


Of Robert Smith ook nog ergens mee bekogeld is, weet ik niet. Ik hoop het niet.


vrijdag 14 juni 2019

Maak ons geen prullen wijs

Om nog eenmaal terug te komen op De zwarte spin van Jeremias Gotthelf: die novelle is drie keer in het Nederlands vertaald. Of misschien moet ik zeggen tweeënhalf keer.

De recentste vertaling is die van W. Wielek-Berg, in 1981 verschenen bij Goossens: volgens Biblion-recensent G.J. Oltheten een ‘goede vertaling’ die recht doet ‘aan het beeldend vermogen van de auteur’. Hans Ester schreef destijds in zijn recensie in Trouw (04-07-1981):
W. Wielek-Berg heeft deze novelle zorgvuldig vertaald. Slechts hier en daar geef ik aan een andere vertaling de voorkeur. Deze nieuwe vertaling is veel beter dan die uit 1954 van Nico Rost. Deze zit er vaak faliekant naast. Maar hij heeft ook briljante vondsten. Daarom denk ik, dat mijn ideale vertaling toch een combinatie van beide zou zijn.
Ik heb Wielek-Bergs vertaling inmiddels gelezen en vind hem nog heel leesbaar. Nadat ik eerder (met mijn gebrekkige Duits) nog wat had geploeterd om het origineel te lezen, was het een verademing om het verhaal nu eens in een normaal leestempo tot me te kunnen nemen. In een Nederlands dat mij niet gedateerd aandoet en een vertaling die me behoorlijk secuur lijkt.


Over de verschillen met de moeilijk vindbare vertaling van Nico Rost kan ik niet oordelen, maar het verschil met de eerdere vertaling van Scharpé (die de novelle, zoals ik eerder berichtte, ‘in zijn eigen vlot Vlaams vertaald of oververteld’ heeft) is levensgroot.

Geen kromme sprongen

Een korte passage volstaat al om dat te illustreren. Dit is het moment waarop in de raamvertelling een oude man wordt aangespoord om het verhaal te vertellen dat de eigenlijke kern van de novelle vormt:
»Hör, Ätti«, sagte der Vetter, »mache nicht Schneckentänze, sondern gib die Wahrheit an und aufrichtigen Bericht! Schon manches habe ich raunen hören, aber punktum das Wahre nie vernehmen können. Jetzt schickte es sich so wohl, bis die Weiber den Braten zweghaben, du würdest uns damit so kurze Zeit machen, darum gib aufrichtigen Bericht!«
In de vertaling van Scharpé:
« Luister, vadertje, » zei kozijn, « geen kromme sprongen! Zeg eenvoudig de waarheid en maak ons geen prullen wijs. Ik heb al een en ander hooren mompelen, maar nooit het fijne kunnen vernemen. ’t Is nu een gepaste gelegenheid, terwijl het vrouwvolk met het gebraad bezig is, en ge zoudt er zoo goed onzen tijd mee korten; vertel ons de echte waarheid! »
In de vertaling van Wielek-Berg:
‘Luister eens, Ätti,’ zei neef, ‘praat er nu niet omheen, vertel de waarheid, wees eerlijk. Ik heb al heel wat geruchten vernomen maar het fijne weet ik er nog steeds niet van. Het ogenblik is gunstig, we hebben de tijd tot de vrouwen de tafel hebben afgeruimd. Je zou ons een dienst bewijzen door eerlijk te zeggen wat er te zeggen valt.’
Scharpé’s vertaling is kleurrijker: ‘praat er niet omheen’ klinkt wat vlak als vertaling voor ‘keine Schneckentänze’, zeker in vergelijking met ‘geen kromme sprongen’ en ‘maak ons geen prullen wijs’. Daarbij helpt het natuurlijk dat Scharpé’s Vlaams van zichzelf al veel exotischer aandoet dan het standaard-Nederlands van Wielek-Berg.


Toch denk ik dat tegenwoordig de meeste, zo niet alle lezers haar versie zullen verkiezen. Scharpé’s Vlaams is bij vlagen zo exotisch dat het op zijn beurt een vertaling nodig heeft! Zie alleen al de lange woordenlijst die ik heb aangelegd bij zijn andere drie vertalingen, waarover ik hier eerder schreef.

Daarnaast valt wel op dat Scharpé in deze vertaling lang niet zoveel vrijheid neemt als in die andere verhalen. Van uitgebreide toevoegingen en weglatingen is in deze novelle zelden sprake — met één belangrijke uitzondering, waar ik zo dadelijk op kom. Over het algemeen volgt hij net als Wielek-Berg de brontekst eigenlijk heel getrouw, zinsdeel voor zinsdeel.

The times they are a-changin’

Op één specifiek punt volgt Scharpé de brontekst zelfs veel trouwer dan Wielek-Berg: het wisselen van werkwoordstijden. Neem deze passage in de vertaling van Scharpé, waarin ik alle werkwoorden heb gemarkeerd:
En als een dorstige die snakt naar de koele waterbronnen, als een held die naar den strijd haakt, snelde de priester den afhang neer, ten aanval, onversaagd, drong tusschen den groene en Christine, die juist het kindeken den groene ging overgeven, deed tusschen hen de drie hoogste heilige namen schallen, houdt het Allerheiligste tegen het gezicht van den groene, sprenkelt heilig water over het kind, en treft tegelijk Christine.
(Die ‘groene’ is de duivel.) Dat opvallende heen en weer springen tussen werkwoordstijden is geen eigenzinnige ingreep van Scharpé; hij blijkt gewoon nauwgezet de brontekst te volgen:
Und wie der Lechzende in des Stromes kühle Flut, wie der Held zur Schlacht stürzte der Priester den Stalden nieder, stürzte zum kühnsten Kampf, drang zwischen den Grünen und Christine, die eben das Kindlein in des andern Arme legen wollte, mitten hinein, schmetterte zwischen sie die drei höchsten heiligen Namen, hält das Heiligste dem Grünen ans Gesicht, sprengt heiliges Wasser über das Kind und trifft Christine zugleich.
Wielek-Berg heeft dit genormaliseerd en alles in de verleden tijd gezet:
En als een dorstende naar koele waterstromen, als een held naar de slag, stormde de priester de heuvel op, stormde naar de dapperste strijd die een mens kan strijden, sprong tussen de Groene en Christine, die juist op het punt stond het kindje in diens armen te leggen, sprong midden tussen hen in, riep met donderende stem de drie heilige namen, hield de Groene het Allerheiligste voor, sprenkelde heilig water over het kind en trof daarmee ook Christine. 
Zij heeft wel, in tegenstelling tot Scharpé, het tweemaal gebruikte stürzte consciëntieus tweemaal met hetzelfde werkwoord vertaald. Die normalisering zal dus vast geen gevolg zijn van slordigheid of onnadenkendheid: ze heeft er niet overheen gelezen, maar welbewust besloten dat de wisseling van werkwoordstijden niet functioneel is, of indruist tegen de conventies van (Nederlands) verhalend proza.


Dat is verdedigbaar, maar de keuze van Scharpé is dat eveneens: dat wisselen van werkwoordstijden geeft meer vaart aan zulke passages, en het maakt de tekst spreektaliger. Dat is toepasselijk, want de novelle is opgebouwd als een raamvertelling waarin een van de personages (de oude man hierboven) het eigenlijke verhaal vertelt.

Grote angst

Dit aspect van de vertalingen deed mij overigens denken aan de onlangs vertaalde roman De grote angst in de bergen van C.-F. Ramuz. Blijkens het nawoord bij zijn vertaling (hier en hier online te lezen) heeft Rokus Hofstede daarbij ook geworsteld met de mate waarin hij de vele wisselingen van werkwoordstijd zou overnemen. Ramuz past die nog veel vaker toe.

Ik moest daar ook aan denken omdat, zoals ik hier al eerder heb opgemerkt, Gotthelf en Ramuz twee Zwitserse auteurs zijn die beiden — de een in het Duits en de ander in het Frans, en met een tussenpoos van bijna honderd jaar  — een korte roman schreven over een dorpsgemeenschap in de bergen die geteisterd wordt door een verschrikkelijk en waarschijnlijk bovennatuurlijk gevaar. En al verschillen de twee romans nog zozeer in de uitwerking van dat gegeven, overeenkomsten zijn er eveneens. Ik vond het in ieder geval heel boeiend om ze, geheel bij toeval, kort na elkaar te hebben gelezen.


Bij Ramuz sorteren de werkwoordswisselingen overigens een ander effect dan bij Gotthelf. Bij die laatste komen ze vrij natuurlijk over. Ramuz past het procedé zo veelvuldig toe, en op zulke onverwachte en schijnbaar willekeurige plaatsen, dat het bij mij niet langer een suggestie van spreektaligheid wekt, maar eerder een modernistisch-vervreemdende indruk maakt.

Glarieogen

Terug naar De zwarte spin: de vertaling van Wielek-Berg lijkt me redelijk adequaat en nog steeds heel leesbaar. Hij zou eventueel geschikt zijn voor een heruitgave. Nog mooier zou het zijn als er een nieuwe vertaling komt, die nog iets secuurder is en wat meer recht doet aan het kleurrijke, spreektalige en streektalige karakter van Gotthelfs tekst. (Voor Gotthelfs gebruik van dialect in de tekst, zie mijn eerdere bericht en de toelichting van een Engelse vertaler op deze site.)

De vertaling van Scharpé voldoet voor de hedendaagse lezer niet meer, maar is wel kleurrijker en doet meer recht aan dat spreektalige karakter. Zijn ‘sappige‘ Vlaams past wonderwel bij Gotthelfs verhaal, en blijkt Scharpé een arsenaal aan woorden en uitdrukkingen te bieden waarop je als Nederlandse vertaler soms een beetje jaloers kunt zijn.

Het treffendste voorbeeld daarvan vond ik het in dit verhaal vaak gebruikte woord glotzen: de zwarte spin glotzt voortdurend om zich heenDe definitie in Van Dale maakt meteen duidelijk wat het probleem met dit woord is: ‘grote ogen opzetten/wezenloos/met grote ogen/ staren, met schelvisogen/koeienogen staan te kijken, staan gapen’. Er is geen direct Nederlands equivalent voor, wij moeten het omschrijven. In het Engels zou je glare kunnen gebruiken. (Ik heb niet gecontroleerd of de Engelse vertalers dat ook inderdaad doen.) In het Nederlands blijft het een beetje behelpen.

Is dit glarieogen of is dit glarieogen?

Maar niet voor Scharpé, die het vertaalt met ‘glariën’ en ‘glarieogen’. Ik kende dat woord nog niet — zoals gezegd: zijn vertaling heeft vaak weer een vertaling nodig. Maar het blijkt een bestaand Vlaams woord te zijn (etymologisch wellicht verwant aan glare?) dat ook bij Streuvels te vinden is en precies hetzelfde betekent.
En zij die het omzichtigst hun voet neerzetten, en het scherpst uitkeken, plots zagen die de spin op hun hand of hun voet, ze liep over hun gelaat, zat zwart en groot op hun neus, en glariede hun in de oogen, vurige stekels drongen in hun gebeente, de hellebrand omgloeide hen, totdat ze door den dood werden nedergeveld.
Bij Wielek-Berg wordt alleen maar ‘gestaard’ — wat toch net iets minder prangend is:
En wiens voet het voorzichtigst werd neergezet, wiens oog het scherpst spiedde, die zag de spin plotseling op hand of voet zitten. Zij liep hem over het gezicht, zat zwart en groot op zijn neus en staarde hem aan; vurige doornen woelden in zijn gebeente, het hellevuur teisterde hem tot de dood hem velde.

Mag het een onsje meer?

Dat is leuk, maar er is één onoverkomelijk bezwaar tegen de vertaling van Scharpé dat ik hier nog niet heb genoemd: zijn vertaling is zo’n vijfduizend woorden korter dan ze zou moeten zijn. Niet doordat hij hier en daar een zin of een woordje snoeit of bijzonder compact formuleert. Nee, hij heeft de ongehoorde vrijheid genomen om het hele begin van het verhaal te schrappen. Van deze novelle van zo’n 30.000 woorden laat hij de eerste 5000 woorden ijskoud weg.

Ik denk dat ik ook wel weet waarom: omdat die eerste vijfduizend woorden van het verhaal bij oppervlakkige lezing overbodig aandoen. Dat zie ik op internet terug in commentaren bij de Engelse editie, waarin sommige lezers schrijven dat Gotthelfs verhaal sloom en saai is en zo traag op gang komt.


Daar zit iets in. Negentiende-eeuwse literatuur heeft altijd een lager tempo dan we tegenwoordig gewend zijn, en daar komt nog bij dat Gotthelfs novelle de structuur heeft van een raamvertelling. Voor die raamvertelling neemt hij ruimschoots de tijd, waardoor het wel even duurt voordat het eigenlijke griezelverhaal begint. Een dikke vijfduizend woorden, om precies te zijn.

Scharpé beschouwde die raamvertelling blijkbaar als kreupelhout dat hij wel kon snoeien. (Tenzij hij achteruit heeft gewerkt en zijn vertaling onvoltooid was; de vertaling is postuum uitgegeven, dus helemaal zeker weet je het niet.)

Een begrijpelijke, maar faliekant foute beslissing. Ja, het duurt even voordat het eigenlijke verhaal op gang komt. Maar dat heeft een functie. Niet alleen omdat je dan des te meer wordt meegesleept als het echt spannend begint te worden. Ook omdat de inleidende raamvertelling subtiele vooruitwijzingen bevat die het hele werk extra kracht geven. De raamvertelling staat absoluut niet los van het eigenlijke griezelverhaal, maar is daar zowel op verhaaltechnisch als symbolisch niveau heel slim mee verbonden.


Ik kan best bewondering hebben voor een doortastende vorm van vertalen, ook wanneer die de grens tussen vertalen en bewerken overschrijdt. Er is een verhaal van Stephen Crane waaruit ik zelf, als ik mijn vertaling ooit eens af krijg, het laatste stompzinnige hoofdstukje absoluut wil weglaten, omdat Crane daarmee zijn eigen glazen ingooit. Als je zo’n auteur op zijn voordeligst wilt presenteren, kun je het als je taak zien om het werk te doen dat zijn eigen redacteuren hebben verzuimd.

Maar bij Gotthelf ligt het net andersom. De inleidende raamvertelling zo sterk bekorten als Scharpé hier heeft gedaan, vind ik een artistieke doodzonde. Daarom zet ik zijn vertaling van De zwarte spin hier liever niet online. In ieder geval niet voordat er weer een goede en tekstgetrouwe Nederlandse versie van die novelle voorhanden is waarin lezers het werk in onverminkte vorm tot zich kunnen nemen.

Tijd dus voor een heruitgave van de vertaling van Wielek-Berg, of beter nog: een nieuwe vertaling.


Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: