Zoeken in deze blog

zaterdag 30 december 2023

Every kind of lickspittle under the sun

Het eerste album in de Lapinot-reeks van Lewis Trondheim is een western en heet Blacktown. Dat is de titel van de Franse versie (1995), en dat is de titel van de Nederlandse vertaling (2007). 


Over de tamelijk recente Engelse vertaling (2018) is waarschijnlijk lang en diep nagedacht, want die heet Gloomtown

Ik zit te piekeren waarom dat is. De vertaler moet gedacht hebben dat Trondheim aan zijn niet-Engelstalige publiek met Blacktown iets anders overbracht dan het woord Blacktown voor Engelstaligen suggereert. Denk bijvoorbeeld aan het woord darkroom, dat bij Nederlandse lezers heel andere associaties wekt dan bij Engelse – voor wie het toch echt gewoon alleen maar een donkere kamer is voor het ontwikkelen van foto’s, en verder niets. (Zie ook dit interview op VertaalVerhaal met Ina Rilke over o.a. haar vertaling van De donkere kamer van Damocles.)


Het gaat Trondheim waarschijnlijk om het duistere van het stadje, de dreiging van dood en verderf, black als in Black Sabbath of Black Mirror... Komt dat in het Engels met Blacktown niet goed over? 

Of zou Blacktown een native speaker te veel doen denken aan zwart als huidskleur, een enclave van zwarte mensen in het Wilde Westen bijvoorbeeld? Daar gaat het verhaal helemaal niet over, dus het is logisch dat je als vertaler die connotatie ook wilt vermijden.

Wat de overwegingen ook zijn geweest (en ik ben er wel benieuwd naar), ik heb geen moeite met de Engelse titel, en ook niet met de rest van de vertaling. Of die overal helemaal correct is, kan ik niet beoordelen, want ik beschik niet over de Franse versie. Maar ik zie geen fouten die zo opzichtig zijn dat ze je al opvallen zonder de brontekst te kennen, en de toon en humor van Trondheims (geweldige!) strip lijkt me goed getroffen. 


Daarbij heeft de vertaler zich hier en daar uitgeleefd in het gebruik van typisch westernjargon. Dat merk je natuurlijk vooral aan de scheldwoorden, zoals die ‘no good varmints’ hierboven: varmints is het soort uitschot (ongedierte) waar je in Amerikaanse westerns over struikelt.


Om nog maar te zwijgen over deze scalawags en lickspittle. Scalawags heeft misschien een wel heel specifieke betekenis, maar een kniesoor die daarover begint. (O sorry.) En ik zou niet weten waar ik het heerlijke woord lickspittle ooit anders ben tegengekomen dan in westerns en bij Faulkner (same difference). 

Laat staan skedaddled: typisch een woord voor een komische scène in een western. Als dat niet tig keer in Bonanza en Gunsmoke is gezegd, eet ik mijn hoed op.


Gelukkig weet de vertaler wel maat te houden. Anders dan mijn selectie misschien suggereert, puilt de tekst heus niet uit van dit soort vondsten. Dat zou al snel vermoeiend zijn.

Eén keer dacht ik wel even dat de vertaler uit de bocht vloog. De eerste keer dat haar woordkeuze mij opviel, was in het plaatje hieronder.

Die spittoon (kwispedoor) is een vast onderdeel van elke western-saloon, maar die heet nu eenmaal zo, daar heb je als vertaler weinig over te zeggen. Nee, het is dat ‘bellyaching’ dat er (positief) uit springt: je hoort het John Wayne of James Stewart zo zeggen. 

En misschien dat Clint Eastwood het behalve in zijn westerns ook wel eens in een Dirty Harry heeft gebruikt. Maar in het Queens’ English van James Bond komt het ongetwijfeld niet voor, en uit de mond van een moderne actieheld zal bellyaching al snel bewust oubollig klinken. Het is echt typisch een woord uit oude westerns.


Waar ik alleen een beetje aan twijfelde, was dat ‘noggin’. Een leuk ouderwetsch woord, maar is dat ook Amerikaans? Om de een of andere reden deed het mij uitgesproken Brits aan. Ik kan me in ieder geval niet herinneren het ooit in een western te hebben gehoord.

Wreekt zich hier dan dat de vertaler, Mercedes Claire Gilliom, naar haar naam te oordelen geen native speaker is maar een Française? Vertalen in een taal die niet je moedertaal is, is immers vloeken in de vertaalkerk. 

Maar datzelfde geldt misschien dubbel en dwars in het kwadraat voor kritiek leveren op een vertaling in een taal die niet je moedertaal is. Want als ik ernaar ga zoeken, vind ik in woordenboeken geen bevestiging van mijn intuïtie dat noggins geen Amerikaans Engels is. Het staat gewoon in Amerikaanse slang-woordenboeken en andere Amerikaanse naslagwerken. En in een lange kerstaflevering van Pinky & The Brain bouwt die laatste een hypnotiserende pop (om de wereldbevolking te hypnotiseren) die hij Noodle Noggin noemt. In die tekenfilmserie klinkt Pinky weliswaar nadrukkelijk pseudo-Brits, maar The Brain toch niet. Dus zo on-Amerikaans als ik denk kan die noggin niet zijn.

Pinky onderwerpt Noodle Noggins aan een nadere blik. Narf!

Conclusie: Gilliom heeft de humor van Trondheim goed overgebracht en zijn western-pastiche een aantrekkelijk western-jargon meegegeven. 

Ik ben trouwens ook benieuwd hoe dat western-jargon in de oorspronkelijke Franse versie klinkt. Of Trondheim bijvoorbeeld veel letterlijk vertaald Engels idioom heeft gebruikt, zoals Goscinny in Lucky Luke vaak deed, waar je niet zelden een ‘smerige coyote met een gele lever’ (dirty yellow-livered coyote) tegenkomt. 

Cowboy + kwispedoor.

Dat maakt het werk van de Engelse vertaler natuurlijk makkelijk, want de tekst is dan eigenlijk al voorvertaald door de auteur: die coyote met een gele lever moet gewoon een yellow-livered coyote worden.

Ware het niet dat daarmee juist de gráp van dat letterlijk vertaalde Engels, zoals je die in het Frans en het Nederlands ervaart, in de Engelse vertaling verloren gaat. Hoe moet je dát dan weer overbrengen?

O jee, nu word ik ook al benieuwd naar hoe Lucky Luke in het Engels is vertaald. Laat ik maar ophouden.

dinsdag 12 december 2023

Blijf van mijn ulevellen af!

Billy is een rotzak. Hij kost de kruidenier een kapitaal aan ulevellen.

Uit: Billy the Kid.

Ulevellen, wie kent ze niet? 

Ik ken ze niet. 

Ik ken ze niet, ik ken ze wel, ik ken ze niet. Ik ken ze eigenlijk alléén maar van Billy the Kid in Lucky Luke. Verder had ik als kind geen idee wat voor snoepje dat precies moest zijn en ben ik dat woord later ook nooit ergens tegengekomen. 

Of ja, wel, heel veel later, toen er internet was en je dit soort dingen begon op te zoeken, en ik zag dat het een soort oudhollands suikerwerk is. En nog weer veel later, toen ik ulevellen tegenkwam in vertalingen van Hans Boland, de man die vrijer vertaalt dan zijn schaduw, en bij wie zelfs de Russen ze eten.

Uit: Les Indomptés.

Nu lees ik Les Indomptés, een hommage aan Lucky Luke van de Franse striptekenaar Blutch (de man die vernoemd is naar een strippersonage). Blutch was altijd al geestig, vooral in zijn satirische strip over zichzelf als domme, aartsconservatieve cartoonist in het interbellum, Blotch. Maar nu is hij zo grappig dat de geest van Goscinny over hem vaardig lijkt geworden. Ik vind Les Indomptés in ieder geval erg leuk, misschien wel net zo leuk als de oude reeks. 

En ook bij Blutch wordt er gesnoept: de twee (rot)kinderen waarover Lucky Luke zich zeer tegen zijn zin moet ontfermen, willen ‘caramels rouges’.

Sommige teksten vertalen zichzelf. Als dit album straks vertaald wordt, kunnen die caramels rouges natuurlijk maar één ding worden: ulevellen!

Uit: Les Indomptés.

Juist doordat ik het als kind zo’n vreemd woord vond, is het voor mij des te sterker verbonden met de snoeplust van Billy the Kid. En ik denk (nee, ik weet) dat dit geldt voor meer mensen van mijn generatie. En de generaties na mij: in 1999 werd je er op je eindexamen VWO nog over doorgezaagd! De ulevel van Billy the Kid staat dus in mijn, wat zeg ik: in ons collectieve geheugen gegrift. Samen met ‘Is het nog ver, Grote Smurf?’, ‘Rare jongens, die Romeinen’ en ‘Verzin eens een list’.

Zo kan het dus gebeuren dat je vertaling al af is nog voordat je eraan moet beginnen. Dat lijkt een beetje op waar Rob Kuitenbrouwer en ik mee te maken kregen toen we Sandra Newmans Julia vertaalden, haar vervolg op, of eigenlijk ‘feministische hervertelling’ van Orwells 1984. Daarbij voelden we  ons ook genoodzaakt aan te sluiten bij de woordkeuzes van de bestaande vertaling van Orwells roman. We hebben daar onlangs een stukje over geschreven op de site van Athenaeum Boekhandel.

En misschien zou ik hier moeten stoppen, want je moet je eigen voorkeuren nooit kapotchecken. Maar  het ligt met Lucky Luke iets minder eenvoudig. 1984 is na 1984 niet opnieuw vertaald. (Let op het subtiele gebruik van cursief in deze zin!) Daarvan bestaat dus in principe maar één vertaling die relevant is voor hedendaagse lezers. (Al ligt ook dit allemaal iets minder eenvoudig dan we het in ons stukje voor Athenaeum hebben voorgesteld. Misschien moet ik daar nog eens wat meer over schrijven.)

Maar Lucky Luke is de laatste jaren juist wel opnieuw vertaald, door James Vandermeersch. (Daarover kun je meer lezen bij VandaagsVertaalProbleem, hier en hier.) Ik heb hier en daar wat moeite met die nieuwe versies, maar of dat nu misplaatste nostalgie is of niet: de nieuwe vertaling is een feit, en daar heb je als vertaler van Blutch misschien toch rekening mee te houden. 

Zijn de ulevellen bij Vandermeersch nog ulevellen? En zo nee, kun je dan als vertaler van Blutch de ulevellen ulevellen laten? 

Uit: Billy the Kid.

Ik kan daar verder niets over zeggen, want ik heb geen nieuwe vertalingen in huis van Billy the Kid en Het escorte, de twee albums waarin Billy een rol speelt. Wat ik wel in huis heb, is de oude versie van beide albums.

En je moet dus niets kapotchecken, nee, maar ik mag die toch wel eens herlezen? En dan blijken ook de oude vertalingen het plaatje al danig te compliceren. Niet alleen klaagt de kruidenier dat Billy zijn ulevellen steelt, verderop in Billy the Kid krijgt Billy the Kid van Lucky Luke ook een handvol ‘rode ulevellen’ toegeworpen. (Let weer op het meesterlijke gebruik van cursief.)

Maar heel consequent is de vertaler daar niet in geweest. Eerder in het boek demonstreren zowel Billy als Luke met behulp van diezelfde ulevel hun revolvervaardigheid. Maar daar heet de Franse caramel ineens een toffee. 

Uit: Billy the Kid.

Althans: als Billy laat zien hoe snel hij is. Als Luke hetzelfde doet, maar dan beter, is het een caramel.

Uit: Billy the Kid.

Misschien dat de eerste vertaler van dit boek sneller dan zijn schaduw was – maar dan ook slordiger. Een vertaling vanuit de heup, vlot maar niet altijd trefzeker.

In ieder geval is de caramel rouge dus duidelijk niet steevast als ulevel vertaald, zoals mijn collectief geheugen me toch al decennia voorspiegelt. Toen vier jaar na Billy the Kid het album Het escorte verscheen, waren het ineens ‘rode toffees’ die Billy wilde stelen. 

(NB: Ik heb dit uit een digitale versie, ik heb mijn eigen oude album niet meer en weet niet 100% zeker of het daarin ook zo stond. Maar ik vermoed van wel. Het colofon van mijn digitale versie vermeldt geen vertaler, terwijl bij de nieuwe vertalingen van Vandermeersch zijn naam wel steeds vermeld staat.)

Uit: Het escorte.

Eigenlijk is het dus heel raar dat juist die ulevellen zich zo in mijn geheugen hebben vastgezet. In dit album spelen die toffees nota bene een nog grotere rol dan in het eerste. Eerst overvalt de aan Lucky Luke ontsnapte Billy een handelaar in ‘rode toffees’ (‘van uitstekende kwaliteit’). 

Uit: Billy the Kid.

Vervolgens laat hij een spoor van toffeepapiertjes achter waardoor Lucky Luke hem snel kan opsporen.

Uit: Billy the Kid.

Maar van ulevellen in heel dit album geen spoor. Ofwel de vertaling is bij Dupuis tussentijds nog aangepast, of mijn selectieve geheugen heeft me een collectieve loer gedraaid.

En die caramels rouges van Blutch: ik kan wel van mening zijn dat die zichzelf al vertaald hebben. Maar hoe dan? 

Moeten het ulevellen worden, als eerbewijs aan mijn collectieve gatenkaasgeheugen, en aan de enige twee plaatjes in Billy the Kid waarop dat vroeger zo raadselachtige woord voorkwam (en aan Hans Boland)?

Of toffees, omdat dat voor iedereen begrijpelijk is, en door de literatuurwetenschapper ook als ‘verwijzing’ kan worden geturfd, want kijk maar, het stáát er?

Of moet het nog weer een ander snoepje worden, vanwege de nieuwe vertaling? 

Ik weet het niet. 

En ik heb eigenlijk ook geen zin om erover na te denken.

Ik wil ulevellen!


[18/12/23: Zoals bij elk rechtgeaard stripverhaal had hier onder gemoeten: wordt vervolgd. Binnenkort meer.]

zondag 3 december 2023

Mijn eindejaarslijstje

Tijd voor de eindejaarslijstjes. De Volkskrant gaf dit weekend de aftrap met artikelen over de 50 beste boeken van het jaar en de beste vibrators ever. Dus hier ook mijn eindejaarslijstje. Voor alle liefhebbers van lijstjes, en boeken, en (klassieke) muziek: mijn beste boeken en muziek. Van 1888. 

Henry... 

Dat begint met de meester zelf, Henry James, die in dat jaar niet alleen The Lesson of the Master maar ook The Aspern Papers publiceerde. (Hier een hoorspel van dat laatste, weer eens wat anders.) 


En verder natuurlijk The Reverberator, zijn novelle over de schandaalpers, de novelle A London Life over zijn ‘international theme’ (Amerikanen in Europa), en het lange korte verhaal ‘The Liar’ (waarvan hier op mijn blog een negentiende-eeuwse vertaling staat). 

En o ja, ik zou het haast vergeten, wat kon deze man veel doen in één jaar: zijn tegenwoordig vuistdikke, maar destijds driedelige politieke roman over liefde, idealisme en terrorisme The Princess Casamassima. Lionel Trilling liep er weg mee, maar ook Huib Drion (ja, die van de pil).

Minimaal de eerste vijf posities in mijn top-100 van beste boeken uit 1888 worden dus ingenomen door Henry James. Wat mij betreft al genoeg om het uit te roepen tot annus mirabilis. 


[Correctie: ik schreef dit gisteren wel, maar het was ook te mooi om waar te zijn. Domme fout, Casamassima is van 1886. En het duurde tot 1890 voor hij weer met een roman kwam, The Tragic Muse. James is ook maar een mens. Om over mij maar te zwijgen.]

...en de anderen

Maar daar blijft het niet bij. James’ goede vriend Robert Louis Stevenson kwam in 1888 (twee jaar na zijn Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde) met de aardige Young Adult-roman The Black Arrow. Louis Couperus brak door met Eline Vere, Eça de Queiroz schreef zijn magnum opus De Maia’s (meer dan een eeuw later mooi vertaald door Harrie Lemmens, een vertaling die in februari opnieuw wordt uitgebracht door Veen: aanrader!).

Verder verschenen er in Engeland minstens twee belangrijke verhalenbundels. Ten eerste Wessex Tales van Thomas Hardy, met daarin zijn absolute meesterwerk op de korte baan: ‘The Withered Arm’ (mijn vertaling staat hier). 


En The Phantom Rickshaw and Other Tales van Kipling, met zijn al even klassieke ‘The Man Who Would Be King’, tegenwoordig vooral bekend van de verfilming met Sean Connery en Michael Caine. Een weergaloos verhaal, genuanceerder in zijn weergave van (en kritiek op) het kolonialisme dan je zou denken. 

1888 was ook het jaar dat Arthur Conan Doyles eerste Sherlock Holmes-roman A Study in Scarlet in boekvorm verscheen. H. Rider Haggard, die in 1885 een enorm populaire reeks avonturenromans was begonnen met King Solomon’s Mines, deed het in 1888 iets rustiger aan met de korte (en bij vlagen verbijsterende novelle) Maiwa’s Revenge, or the War of the Little Hand


Op Three Men in a Boat van Jerome K. Jerome moest de wereld in 1888 nog een jaartje wachten, maar Maupassant ging wel uit varen en publiceerde het verhaal ‘Sur l’eau’ en de roman Pierre et Jean. Van Theodor Fontane verscheen de roman Irrungen, Wirrungen (vertaald als Dolingen, dwalingen), maar dat is geen groot meesterwerk.

Nee, dan Tsjechov: die was actief van 1880 tot 1903, dus verscheen er ook in 1888 werk van zijn hand. Wel was dit het jaar waarin hij het roer omgooide en stopte met het schrijven van vijftig tot soms wel tachtig korte verhalen per jaar. Vanaf 1888 schreef hij ieder jaar een veel kleiner aantal, vaak langere en steeds fijnzinnigere, verhalen – en later natuurlijk zijn toneelstukken. (Ivanov was in 1887 nog geflopt en De bosgeest verging het in 1889 niet veel beter, maar een paar jaar later kwam het allemaal goed.) In 1888 publiceerde hij de bundel Verhalen, met onder meer de lange novelle De steppe en een klassiek verhaal als ‘De kus’, en verder schreef hij dat jaar onder meer ‘Slapen’, ‘Zielenpijn’ en ‘De naamdag’.

Tot zover de boeken en verhalen uit 1888 die ik de moeite waard vind, en die veelal ook nog steeds behoorlijk beroemd zijn.

Het vergeten 1888

Er zijn ook boeken die toen furore maakten maar die ik nog niet gelezen heb, of waar ik tot voor kort zelfs nooit van gehoord had.

Neem Robert Elsmere van Mrs Humphrey Ward: Wikipedia meldt daarover dat er in korte tijd een miljoen exemplaren van werden verkocht en dat het haar ‘de bewondering van Henry James’ opleverde. Dat maakt nieuwsgierig! De roman gaat volgens datzelfde Wikipedia over ‘een predikant in Oxford die in aanraking komt met teksten van Duitse rationalisten als Schelling en David Strauss en daardoor begint te twijfelen aan de leer van de Anglicaanse kerk. Maar in plaats van tot atheïsme te vervallen of zich tot het rooms-katholicisme te bekeren, zoekt Elsmere zijn heil bij een “constructief liberalisme” (door de auteur opgedaan bij [de filosoof] Thomas Hill Green) dat het belang benadrukt van opbouwwerk onder de arme ongeschoolde klasse.’ Het klinkt niet als een verhaal waarvan je ook vandaag de dag nog makkelijk miljoenen exemplaren verkoopt. Maar zeker weet je dat pas als je het gaat lezen. Ik weet niet of ik daar ooit aan toekom.

Een boek dat in 1888 in feuilletonvorm verscheen en wel een klassieker werd, en me daarom meer aantrekt, is Baas Don Gesualdo van Giovanni Verga. Volgens Alle Lansu in Het Parool was het ‘120 jaar na verschijnen nog altijd actueel’. Helaas niet actueel genoeg om die vertaling in druk te houden, of zelfs maar beschikbaar als e-boek. 

Dat is gelukkig wel gebeurd met Verga’s De leeglopers uit 1881, dat nog als e-boek te koop is. Het is bovendien een lievelingsboek van Verga’s vertalers, Yond Boeke en Patty Krone, dus dat moet ik misschien eerst maar eens proberen. 

Evenals Le Rêve, van Zola – alleen al omdat ik toch ooit zijn hele Rougon-Macquart wil lezen.


Maar wat te denken van The Romance of a Shop, een roman over ‘de nieuwe vrouw’ van Amy Levy (die wel beschouwd wordt als een van eerste lesbische romanschrijfsters, al is dat speculatief), A Strange Manuscript Found in a Copper Cylinder, een avontuur van de Canadees James De Mille in de stijl (als ik Wikipedia mag geloven) van Conan Doyle en Rider Haggard, of de Australische western Robbery Under Arms van Rolf Boldrewood (pseudoniem van ene Thomas Alexander Browne): allemaal romans die in hun tijd enige naam maakten en geruime tijd populair bleven, maar nu vergeten lijken. (Zij het ook weer niet zo vergeten dat je ze niet ergens kunt downloaden. De échte ‘vergeten boeken’ zijn natuurlijk de boeken waarvan zelfs op internet geen spoor terug te vinden is – en die daardoor ook wel voor altijd vergeten zullen blijven.)

Robbery under Arms is in 1957 verfilmd
en in Nederland uitgebracht als De ranch der vervloekten,
(al denkt IMDB dat het De farm der vervloekten was).
De film staat momenteel op YouTube.

Tot slot een paar in hun eigen land nog steeds bekende auteurs van wie in 1888 een boek verscheen. De Poolse auteur en latere Nobelprijswinnaar (1905) Henryk Sienkiewicz, die vooral beroemd zou worden met Quo Vadis (1896), publiceerde in 1888 het laatste deel van zijn trilogie die in Polen simpelweg bekend schijnt te staan als ‘de trilogie’: Pan Wołodyjowski; in het Engels vertaald als Fire in the Steppe, maar ook als Pan Michael; in het Nederlands als De Heer Wołodyjowski.

Van Gerhart Hauptmann verscheen de novelle Bahnwärter Thiel. Van Octave Mirbeau L’Abbé Jules en van Theodor Storm Der Schimmelreiter

Marcellus Emants moest nog een beetje op dreef komen en schreef dat jaar niet zijn meest aansprekende titels: Adolf van Gelre, Jonge harten en Juffrouw Lina. Misschien die laatste eens proberen; de titel doet onvervalst naturalisme vermoeden.

Muziek

En dan de muziek: wat moet de soundtrack zijn bij al deze boeken uit 1888? Simpel. Het jaar 1888 leverde genoeg opusnummers op die in de top-2000 niet mogen ontbreken. Hier is mijn inzending.


Om me te beperken tot de allerberoemdste, meest uitgevoerde werken: 1888 was het jaar van de eerste symfonie van Mahler, de vijfde van Tsjaikovski en de enige van César Franck, van de symfonische suite Scheherazade van Rimsky-Korsakov en de symfonische gedichten Don JuanMacbeth en Tod und Verklärung van Richard Straus. Brahms publiceerde zijn prachtige derde vioolsonate, en naast de eerste versie van Fauré’s Requiem kreeg ook het pianokwintet van Dvorak dat jaar zijn première. Grieg kwam met de Peer Gynt-suite en zijn vierde boek met Lyrische Stücke en Hugo Wolf publiceerde zijn Mörike-lieder, Debussy schreef het eerste van zijn twee Arabesques en Satie twee van zijn drie Gymnopédies. 

Hier is een YouTube playlist met uitvoeringen van al die werken. 


maandag 18 september 2023

Geboekstaafd en verdwenen

Verba volant, scripta manent? Eens geboekstaafd blijft geboekstaafd? 

Ja, me hoela. In ieder geval niet als het om vertalingen gaat. Neem nou De stille man van Maurice Walsh:

DelpherHet vrije volk, 19-03-1954

Van deze ‘levendige Nederlandse vertaling van het frisse Green Rushes, waarnaar de film ‘The Quiet Man’ werd gemaakt’ (aldus A. Deblaere in Katholiek Cultureel Tijdschrift Streven) kunnen we alleen nog dromen. Dit ‘boek vol humor en tragiek, levensmoed en menselijkheid, vol van al het proza en de poëzie van het Ierse leven, boeiend, ontspannend, en voor allen aan te bevelen’, in 1954 uitgebracht in een ‘verzorgde uitgave en keurige praesentatie’ (A. Deblaere weer) is nergens meer antiquarisch te vinden, en de KB beschikt ook niet over een exemplaar. 

Eén ander werk van Walsh is ooit vertaald: de roman The Road to Nowhere (1934) verscheen onder de titel Zwerverswegen al in 1935 als feuilleton in Nederlandse kranten en daarna ook in boekvorm, en was blijkbaar succesvol genoeg om in de jaren vijftig nog steeds (of opnieuw) in druk te zijn, in dezelfde ‘geautoriseerde’ vertaling van  J. Maschmeijer-Buekers, maar inmiddels onder de titel Langs ’s Heren wegen. Alleen dat boek is van hem nog bij de KB te vinden.

DelpherDeli courant, 20-09-1935

Literair gesproken is het vast geen ramp. Naar andere beschrijvingen van het werk van Walsh te oordelen, gaat het bij hem om het soort ‘levensmoed’ waar je als modern mens vooral levensmoed’ van wórdt. Zo werd Walsh door de Ierse dichter Patrick Kavanagh in een gedicht ooit neergezet als ‘the devil Mediocrity’:

            He has written many Catholic novels,
            None of which mentions devils:
            Daring men, beautiful women,
            Nothing about muck or midden,
            Wholesome atmosphere - Why must
            So-called artists deal with lust?

En Jan van der Vegt lichtte dat in 1986 in Bzzletin wat nader toe: ‘De film naar diens verhaal The Quiet Man werd wereldberoemd en liet het romantische kitsch-Ierland zien waar nog op grote schaal mee gedweept wordt.’ (Die film, met John Wayne, heb ik nog nooit gezien. En Van der Vegts beschrijving beneemt je bij voorbaat ook de lust om dat te doen.)

Ook de Stem was in 1954 al minder enthousiast dan Het vrije volk:

Krantenbank Zeelandde Stem, 12 januari 1954

Maar voor de receptiegeschiedenis (en de vertaalgeschiedenis) vind ik het toch jammer dat er nergens meer een exemplaar van deze vertaling lijkt te bestaan.

[EDIT: Ik heb met mijn neus gezocht, blijkt uit reacties van twee lezers. De KB heeft het niet, maar in de bibliotheek van de UvA moet een exemplaar staan. En op een Belgische variant van Marktplaats wordt voor een paar euro ook nog een exemplaar aangeboden.]

maandag 14 augustus 2023

Van nieuwe letters en cursieven die voorbijgaan

Even wat neuzelen over e-readers. In het colofon van een e-boek tref ik deze tekst aan:

Blijkbaar is tot opmakers doorgedrongen dat er soms dingen misgaan met e-boeken. Alleen is hier wat mij betreft niet voor de juiste oplossing gekozen.

Het gaat me niet om dat uitvullen en afbreken: dat kun je op een e-reader inderdaad beter uitschakelen (tenzij je OCD hebt en absoluut niet tegen een vrije regelval kunt). Het gaat me om de keuze van het lettertype ‘origineel’ of ‘standaard’.

Al te vaak zie ik nog e-boeken waarbij het uitgangspunt lijkt te zijn dat de digitale uitgave ook qua vormgeving zoveel mogelijk op de papieren uitgave moet lijken en beide hetzelfde lettertype moeten hebben. 

Dat leidt ten eerste tot bestanden die veel groter zijn dan nodig is. Groter dan 1 Mb hoeft eigenlijk bijna geen e-boek te zijn. Toch zijn veel Nederlandse e-boeken een stuk groter, onder meer omdat de gebruikte lettertypes in het boek worden bijgevoegd, vermoed ik. Dat is nergens voor nodig en in mijn ogen zelfs onwenselijk, want met al die overtollige Mb's wordt het op oudere e-readers al snel woekeren met de ruimte.

Maar ten tweede is digitaal lezen anders dan lezen van papier. Een van de belangrijkste voordelen van lezen van een scherm is dat je als lezer ten dele zelf kunt bepalen hoe de tekst op je scherm wordt weergegeven. 

Een e-boek met het standaardlettertype van de uitgever: 
eigenlijk te iel om lekker te lezen op een e-reader.
De waarschuwing komt uit een ander boek.

In een boek met een waarschuwing zoals hierboven wordt dus al meteen gezegd dat verandering van het schermlettertype je leeservaring kan aantasten. En wat betekent dat concreet? Heel simpel: dat sommige tekstkenmerken niet meer worden weergegeven. De belangrijkste daarvan: kleinkapitaal en cursief. Die vallen gewoon weg. De hele tekst staat uniform in romein en onderkast. Dat kom ik in e-boeken helaas heel vaak tegen.

Zo’n waarschuwing betekent dus in feite: we gebruiken in deze tekst wel kleinkapitaal en cursief, maar als je op je e-reader een ander lettertype gaat gebruiken, kun je daarnaar fluiten.

Dezelfde tekst als hierboven, in een zelfgekozen lettertype (de Bookerly),
in een boek waarin dat wel zonder verlies van tekstkenmerken kan.

Is dat vervelend? Ja, ik vind dat vervelend. 

En is het je eigen schuld? Moet je dan maar gewoon het standaardlettertype van de uitgever gebruiken? 

Nee, want dat standaardlettertype is in mijn ervaring eigenlijk nooit geschikt voor een beeldscherm. Ik vermoed dat het vaak dezelfde letter is als van de papieren uitgave, of een afgeleide daarvan. En die letter vind ik bijna altijd veel te iel.

Op een beeldscherm lees ik liever een wat plompere letter, dikker en misschien minder elegant, maar op de e-reader beter leesbaar. Van de voorgeïnstalleerde lettertypes op de e-readers van Kobo bijvoorbeeld de Georgia of de Caecilia, en liever nog een lettertype dat ik er zelf aan toevoeg, zoals de Bookerly (eigenlijk ontworpen voor de Kindle) of de Bitter. Zulke speciaal voor e-readers ontwikkelde lettertypes lezen een stuk prettiger. 

Tekst van een zelfgefabriceerd e-boek met de Bitter als weergaveletter.
Cursief blijft gewoon behouden, zo moeilijk is dat niet.

Maar dat cursief en KLEINKAPITAAL zo vaak wegvallen, is dat dan een kwestie van onoverkomelijke technische beperkingen? Zijn andere lettertypes zo beperkt dat ze geen cursief bevatten? Is het onvermijdelijk dat zulke aspecten verdwijnen als je het lettertype op je e-reader anders instelt?

Welnee. Het is een gevolg van de wijze waarop het e-boek is gemaakt, en dat kan makkelijk anders. Ik weet niet precies wáár de technische kneep zit, maar dat het anders kan, blijkt duidelijk genoeg uit de boeken waarin het wel goed gaat. In een goed ontworpen e-boek blijven cursief en kleinkapitaal en vet en al die tekstkenmerken gewoon behouden, onafhankelijk van welk lettertype er op de e-reader wordt ingesteld. 

Dat wordt mooi geïllustreerd door de verschillende e-boekuitgaven van Het verhaal van Genji, Jos Vos’ vertaling van de Japanse klassieker die bij Querido is verschenen: eerst in 2013 in één band, en als één e-boek. En daarna in 2020 in vier delen, en als vier e-boeken die radicaal anders – en veel beter – zijn vormgegeven dan de eerste e-uitgave. 

Hieronder zie je ze naast elkaar. Links het oude e-boek in de standaardletter van de uitgever, rechts het nieuwe e-boek, uitgegeven met dezelfde standaardletter, maar hier weergegeven met een door mijzelf gekozen lettertype (de Bookerly): 


Al het cursief is netjes behouden, en is om de een of andere reden bovendien vet weergegeven. Ik weet niet hoe dat komt, en je kunt het ook als overkill beschouwen; maar het is wel lekker duidelijk.

Hieronder zie je hoe dat tien jaar geleden nog ging. Links weer het oude e-boek uit 2013, maar nu met de door mijzelf gekozen Bookerly als letter; rechts weer het nieuwe e-boek met diezelfde Bookerly:


In de oude uitgave van 2013 ging het dus nog helemaal fout met cursief en andere tekstkenmerken. Nu niet meer.

Ook in andere opzichten is bij deze nieuwe digitale uitgave trouwens beter aan de e-readerlezer gedacht. Zo bevat de tekst veel voetnoten, die in de nieuwe uitgave allemaal van een hyperlink zijn voorzien, zodat je makkelijk heen en weer kunt springen tussen de noten en de hoofdtekst. In de oude uitgave waren die noten niet van links voorzien en moest je zelf maar doorbladeren naar pagina dertienhonderdzoveel als je ze wilde lezen. En dat bladeren is nu juist iets wat op een e-reader veel moeizamer gaat dan in een papieren boek.

Kortom: het kán dus wel, een goed ontworpen e-boek. En ik weet ook niet waarom het bij zoveel e-boeken (en heus niet alleen in Nederland) toch nog steeds misgaat. Jammer.

Zou het helpen als auteurs hier ook wat meer bovenop zaten? Want volgens mij wordt de digitale uitgave niet meer apart gecontroleerd en gecorrigeerd, terwijl dat misschien wel goed zou zijn. Alleen levert dat natuurlijk alleen maar extra werk op, waar geen nieuwe inkomsten tegenover staan. 


zondag 11 juni 2023

De dood is een felle weidespreeuw

Hieronder mijn vertaling van het gedicht ‘Wise Men in Their Bad Hours’ (ca. 1923) van Robinson Jeffers. 

Jeffers is een dichter die bij leven in Amerika vrij beroemd was, maar inmiddels een beetje vergeten is. Zijn werk kan soms vreemd naïef afsteken naast dat van zijn modernistische tijdgenoten, maar hij heeft heel fraaie natuurpoëzie geschreven, alsmede een aantal erg lange, tamelijk bizarre en intrigerende verhalende gedichten. 



donderdag 27 april 2023

De anderlingen komen!

Het woord vormt zich in mijn hoofd: Anderlingen. Ik kom dat tegen in een vertaling uit een tijd toen paranoia ook nog steevast werd vertaald met achtervolgingswaan, en niet met paranoia. En heel even denk ik: misschien wel jammer dat dit nooit is ingeburgerd.

Uit: James Tiptree, 10.000 lichtjaar van huis (Meulenhoff, 1978),
vertaling (van dit verhaal) Mike Grothaus.

Want het blijft behelpen. Tegenwoordig kunnen we een alien gewoon een alien noemen, als we geen zin hebben in zoiets als ruimtewezen (en wanneer heb je daar nog zin in?). Maar ik weet nog wat een geworstel dat in de jaren negentig was, bij het vertalen van ondertitels. Alien, het klonk zo snappy,* je had eigenlijk het gevoel dat iedereen wel wist wat het betekende, maar je durfde het toch niet te gebruiken.

Althans, ik weet het niet zeker, maar ik durf te wedden dat het woord nooit in de ondertitels is gebruikt door de eerste vertalers van The X-Files, de serie die er misschien wel meer dan enige andere aan heeft bijgedragen dat alien een Nederlands begrip werd. Maar de vertalers in bochten dwong om er een ander woord voor te gebruiken. 

Misschien vergis ik me; dan laat ik me graag corrigeren. Maar in mijn herinnering was alien toen nog geen geaccepteerd Nederlands. In ieder geval niet in ondertitelaarskringen, waar men vond dat je als vertaler niet voorop moest lopen met taalvernieuwing. Eerst maar eens wachten tot het tien jaar in Van Dale staat, dan mag je het ook op tv gebruiken. 

Ik denk dat alien pas in deze eeuw stilaan is geaccepteerd als een normaal Nederlands woord. Wanneer precies weet ik niet. Het staat nu in de Dikke Van Dale, maar de online versie vermeldt niet sinds wanneer: vanaf de 13de, 14de of 15de druk? Of zelfs al in de 12de? (Uit 1992: dan hadden we het toen wel mogen gebruiken!)

James Tiptree Jr., ‘The Women Men Don’t See’ (1973)

Misschien het enige nadeel van alien als vertaling: het is lekker kort, maar je schiet er niets mee op als in het Engels gespeeld wordt met de dubbele (of misschien gewoon: de ruimere) betekenis van het woord in die taal. In het Engels betekent het van oudsher immers simpelweg vreemdeling of buitenlander. 

Ook als het woord ‘anderling’ ingeburgerd was geraakt als vertaling voor alien, was dit probleem daarmee niet opgelost geweest. Dus misschien is het geen ramp dat de anderling verloren is gegaan.

Maar hoe verloren eigenlijk? En sowieso: hoe gangbaar is het woord ooit geweest? Waarom staat het niet in Van Dale? Heeft het er ooit wel in gestaan, en is het daarna weer afgevoerd omdat het in onbruik is geraakt? En als het er nooit in heeft gestaan, is dat dan geen omissie? Of is het woord anderling in Nederland helemaal nooit breed gebruikt? 

In de verhalenbundel waarin ik het tegenkwam, vertaald door twee vertalers (Mike Grothaus en Jaime Martijn), is het zo te zien wel consequent gebruikt als vertaling voor alien. Er is ook sprake van anderlingenschepen en anderlingentechnologie, enzovoort. Maar was dat dan eenmalig? Waren dit twee eenzame gekken in sciencefictionland?

Nederlands dagblad, 23-07-1987
bron: Delpher

Ik denk het niet, want vluchtig zoeken in Delpher levert me daar in ieder geval één relevante treffer op: een artikel uit 1987 in het Nederlands Dagblad over ‘Fantasy: sprookjes voor volwassenen’.

Maar dat is ook wel weer weinig. Eén enkele treffer in Delpher, nauwelijks sporen op internet. Van een woord dat nu zo buitenaards aandoet dat het, nou ja... eigenlijk juist bijna gaat voelen als een ideale vertaling voor alien!

Meulenhoff gaf in de jaren zeventig en tachtig volgens mij veel vertaalde sciencefiction uit. Was ‘anderling’ een typische Meulenhoff-vertaling? Werd het breder gebruikt in SF-vertalingen? Hoelang al? En tot hoelang? Vragen verstopt in een puzzel vermomd als een raadsel.

Over raadsels gesproken: die James Tiptree van het omslag heette in Engelse uitgaven James Tiptree Jr., en was eigenlijk een vrouw. En ja, dat feit had misschien wel wat met zijn/haar literaire interesse in anderlingen te maken. Maar een transgender was zhe nou ook weer niet echt. Maar dat is weer een heel ander verhaal. Waarover je maar moet lezen in de uitstekende biografie van Tiptree van Julie Phillips, The Double life of Alice B. Sheldon. Want ja, Tiptree/Sheldon had ook nog eens de ideale naam om die grap te maken.



* Snappy staat in de Van Dale sinds 2019. Waarom daar wél een datum bij staat, staat er niet bij.

vrijdag 24 maart 2023

Getting on the same page

In Wij van Jevgeni Zamjatin praten de personages halverwege over het boek dat de verteller aan het schrijven is, dat Wij getiteld is en dat wij op dat moment zitten te lezen. In de Nederlandse vertaling gaat dat zo:

Jevgeni Zamjatin, Wij, vertaling Dick Peet,
Atlas Contact 2022 (eerste druk 1970), p. 89.

Deze passage staat op pagina 89. Nu lees ik geen Russisch en ik heb de Russische brontekst niet, maar ik vraag me af of de vertaling hier niet zou moeten luiden ‘bijna 90 bladzijden’ of ‘al 89 bladzijden’ in plaats van ‘170 bladzijden’.

Ik ben namelijk de tekst van de eerste Engelse vertaling aan het lezen, en die luidt: ‘See, here, I am still busy writing. Already 101 pages!’ En deze passage staat ongeveer halverwege een e-boek dat op mijn e-reader 190 bladzijden telt. Ook de Nederlandse uitgave telt ca. 180 bladzijden. Ik maak me sterk dat die eerste Engelse vertaling er zo’n 200 telde. Dat het de bedoeling is dat de paginanummers van het fictieve en het echte boek met elkaar overeenkomen, en het getal hier naar het paginanummer van de uitgave moet verwijzen. Een voor de hand liggend metagrapje om hier te maken.

Tenzij Zamjattin dat natuurlijk juist weer ál te makkelijk vindt en zulke grappen nit wil maken. Maar dan nog: waarom 170 bladzijden in de ene en 101 in de andere vertaling? 

Stond de passage in de oorspronkelijke Russische uitgave op pagina 170 en heeft de vertaler het getal gewoon overgenomen zonder dat verband te zien? Of was de eerste druk van de Nederlandse vertaling uit 1970 zo dik dat deze passage daarin op pagina 170 stond, en is bij de heruitgave door Atlas Contact n nagelaten de tekst op dit punt aan te passen? Of klopt mijn veronderstelling helemaal niet en heeft dat volstrekt andere getal in de Engelse vertaling een andere oorzaak? (Er is ook een nieuwe Engelse vertaling, maar die heb ik niet kunnen raadplegen.)

En los daarvan: wat moet je nog met zulke grapjes in de tijd van het e-boek? Want dat het e-boek op mijn e-reader 190 pagina’s telt, is natuurlijk gewoon toeval en onder meer afhankelijk van de door mijzelf ingestelde lettergrootte. 

Wat moet je nog met de typografische grapjes van Tristram Shandy op een e-reader? Of met Het oneindige verhaal, waarin Michael Ende (als ik me dat goed herinner) verschillende delen van de tekst in verschillende kleuren liet zetten.

Of bestaat er een code die je in de tekst van je e-boek kunt zetten zodat op die plek steeds het juiste paginanummer berekend wordt afhankelijk van de weergave op elke individuele e-reader? En zo nee, waarom dan niet? Het is 2023, mensen!

Naschrift: 
De Russische tekst van de roman staat hier. Het Russisch luidt: -- Вот -- все пишу. Уже сто семьдесят страниц... Выходит такое что-то неожиданное... 

Daar is ook sprake (volgens Google Translate) van 170 bladzijden. Dus de Nederlandse vertaler heeft gewoon de tekst gevolgd. Waarschijnlijk zijn de 101 pagina’s in de vertaling een verschrijving en slaat het getal helemaal niet op het paginanummer van de boekuitgave. In een herdruk van de Engelse vertaling uit de jaren vijftig (hier online in te zien) staat de passage in ieder geval op pagina 106. En die ‘zevende pagina’ waarvan verderop in de passage sprake is, of dat zevende velletje (het kan ook om een brief gaan), heeft ook niets met de paginanummering te maken. 

vrijdag 17 maart 2023

Op jacht

Ik lees Kerstin Ekmans Wolvenkoorts, en daarin leest de hoofdpersoon, een Zweedse jachtmeester, in Toergenjevs Jagersverhalen. Als ik lees over een personage dat een mooi boek leest, krijg ik zelf vaak ook meteen zin om te gaan lezen wat dat personage leest. En als de verteller van Ekman voor de zoveelste keer zijn Toergenjev pakt en ‘het ongelooflijke verhaal over het zingen in Kolotovka’ noemt, maar zonder daarbij uit te leggen wat er zo ongelooflijk aan is, kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ik leg de roman opzij en ga op zoek naar de Jagersverhalen.

Gelukkig heb ik daarvan Wils Huismans oude vertaling thuis in de kast staan, want de Amsterdamse bibliotheek heeft Toergenjevs verhalen niet (meer?) in bezit. ‘De zangers’ blijkt inderdaad een prachtig verhaal, over een zangwedstrijd om gratis bier in een dorpskroeg, waarbij een van de mannen zo onwaarachtig mooi zingt dat alle aanwezigen uit hun aardse bestaan lijken te worden opgetild, het is alsof de hemel even opengaat. Waarna de verteller zich terugtrekt om zijn verrukking niet te laten bederven door wat ongetwijfeld zal volgen: alle aanwezigen, inclusief de zanger, die het op een zuipen zetten en zich te buiten zullen gaan aan vulgaire praat en gezang. De coda van het verhaal, die ik hier niet zal verklappen, is helemaal geweldig.


Een verband met het verhaal van Ekmans jachtmeester zie ik nog niet meteen. Maar dan beland ik via internet ook nog even bij de stokoude Engelse vertaling van Constance Garnett, door Engelstalige lezers vaak nog steeds de hemel in geprezen, maar door veel vertalers verguisd. Ik lees die vertaling niet, maar mijn oog valt wel op het woord Wild Master: aha, een jachtmeester! De link ligt er dus nogal dik bovenop, de hoofdpersoon van Ekman herkent zich in of spiegelt zich aan Toergenjevs personage, een bonkig type.

Maar waarom was me dat niet meteen opgevallen? Omdat er in de Nederlandse vertaling helemaal geen jachtmeester voorkomt. Vergelijk deze twee vertalingen van de beschrijving van de betreffende man: 

Naast hem stond een man van een jaar of veertig met brede schouders en brede jukbeenderen, met een laag voorhoofd, smalle, Tataarse ogen, een korte, platte neus, een vierkante kin en glanzend, zwart haar, dat stijf overeindstond als een borstel. De uitdrukking van zijn donker gezicht, waar een loodkleurig waas over lag, en vooral van zijn bleke lippen, zou men woest kunnen noemen, wanneer zijn blik niet zo rustig-peinzend was geweest. Hij bewoog zich nauwelijks en keek alleen traag om zich heen, als een os van onder zijn juk. Hij droeg een versleten jas met gladde, koperen knopen; een oude, zwarte, zijden doek had hij om zijn geweldige nek geknoopt. Dat was Diki-Barin.

(Wils Huisman, derde druk 1989, p. 222; vertaling in 1955 voor het eerst bij Van Oorschot verschenen, maar volgens de KB in 1948 daarvoor ook al bij Contact.)

 Near him stood a man of about forty, with broad shoulders and broad jaws, with a low forehead, narrow Tartar eyes, a short flat nose, a square chin, and shining black hair coarse as bristles. The expression of his face--a swarthy face, with a sort of leaden hue in it--and especially of his pale lips, might almost have been called savage, if it had not been so still and dreamy. He hardly stirred a muscle; he only looked slowly about him like a bull under the yoke. He was dressed in a sort of surtout, not over new, with smooth brass buttons; an old black silk handkerchief was twisted round his immense neck. He was called the Wild Master.

(Constance Garnett, 1895.)

De Wild Master, jachtmeester, wordt in de Nederlandse versie alleen bij zijn naam genoemd, Diki-Barin. Dat hij een jachtmeester is, of dat zijn bijnaam Jachtmeester is (wie zal het zeggen?) – de Nederlandse lezer zal het nooit te weten komen. 

En de Nederlandse vertaling bevat sporen van meer van zulke weglatingen. Bij deze beschrijving van een ander personage moet zelfs de meest argeloze lezer toch een lampje opgaan dat haar iets wordt onthouden: 

Laat ik beginnen met Obaldoej. Hij heette eigenlijk Jewgraw Iwanow, maar in de hele omtrek kende men hem niet anders dan als Obaldoej, en ook hijzelf noemde zich bij deze bijnaam; zo goed hoorde die bij hem. En inderdaad, hij paste ook uitstekend bij zijn onbetekenend, eeuwig geagiteerd gezicht.

‘Zo goed hoorde die bij hem’? Hoezo? De Nederlandse vertaling van dit verhaal bevat welgeteld twee voetnoten (o.a. over ‘de bewoners van Zuid-Polesja’). Hier zou ik toch ook een verklarende noot hebben verwacht over de betekenis van die bijnaam. Of natuurlijk gewoon een vertaling die de betekenis goed weergeeft. 

De verafgood/verguisde Garnett-vertaling gaat zo: 

Let us begin with the Gabbler. This man's real name was Evgraf Ivanovitch; but no one in the whole neighbourhood knew him as anything but the Gabbler, and he himself referred to himself by that nickname; so well did it fit him.

Er is vast weer van alles fout aan; als je onder slavisten de naam Garnett laat vallen, staat het schuim ze al snel op de bek. Maar de Nederlandse vertaling is hier toch helemaal volstrekt ontoereikend?

Des te vreemder dan ook dat Huismans vertaling in 2006 nog eens opnieuw als hardback is uitgebracht, alsof hij helemaal niet aan een update en hertaling toe was.

Inmiddels is die uitgave niet meer in druk, en is er alleen nog een kleine selectie van slechts vijf van de Jagersverhalen in een nieuwe vertaling van Sjoukje Slofstra verkrijgbaar. 

Hoog tijd voor een nieuwe, modernere en adequatere vertaling van de complete bundel of van Toergenjevs verzamelde verhalen, lijkt me. Met een mooie inleiding en eventueel annotaties.

En nu kan ik weer verder in Wolvenkoorts.

(Overigens zou het ook nog kunnen dat dat ‘jachtmeester’ in het verhaal van Toergenjev echt fout is, en ook terecht is gekomen in de Zweedse of Duitse of weet ik welke vertaling waarop Ekman zich baseert. Maar dan is die foute vertaling inmiddels een feit op zich, als die blijkbaar in al die talen is doorgedrongen, en zou ik daar in het boek op zijn minst een verklarende eindnoot over willen zien.

Verder heb ik er de editie van Huismans vertaling uit 2006 niet op nageslagen om te zien of daaraan nog veel is toegevoegd of veranderd.)

Naschrift: domme fout hierboven. Een nieuwe vertaling zou ik nog steeds toejuichen, maar ik zit fout met dat jachtmeester. Die ‘Wild Master’ van Garnett is blijkbaar geen jachtmeester (of jagersmeester, zoals hij bij Ekman heet), maar meer een soort wildeman. In een Franse vertaling wordt de bijnaam van de man vertaald als ‘Homme Sauvage’ en op het Franse Wikipedia-artikel is het een ‘Seigneur sauvage’.

Tweede naschrift: er is nog een andere, gloednieuwe vertaling van ‘De zangers’, door Robbert-Jan Henkes gemaakt voor George Saunders’ bundel essays over verhalen van Russische schrijvers Een duik in de vijver in de regen. Hij schrijft over dat verhaal op zijn blog: hier en hier. Daaruit blijkt dat de twee verklarende voetnoten niet afkomstig zijn van de vertaler, maar van Toergenjev zelf (die op die manier een beetje de antropoloog uithangt bij zijn fictieve boeren)  iets wat in de Toergenjev-uitgave niet echt duidelijk wordt gemaakt.

Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: